Kunsteducatie in Vlaanderen: een stand van zaken.

Project Details

Description

In de periode 1996-1998 gaven de minister van onderwijs en de minister van cultuur de opdracht om een onderzoek te doen naar de opportuniteiten, de mogelijkheden en tevens de knekpunten voor een verhoogde integrerende samenwerking tussen het cultuurbeleid en het hieronder ressorterende werkveld enerzijds, en het onderwijsbeleid en de daaraan verbonden praktijk anderzijds. In dit'clusterproject:onderwijs,cultuur, creativiteiten kunst' werd Prof. Elias als wetenschappelijk adviseur geraadpleegd om de realisatie van het rapport te begeleiden, veenals om het herwerkt op te nemen als onderdeel van een boek van zijn hand 'kunsteducatie in Vlaanderen' in de reeks cultuurstudies van de Vlaamse gemenschap(voorzien als nr.10). Hoewel het manuscript voor 70% klaar was werd het niet gepubliceerd, vermits door de regeringswissel de studiereeks werd stopgezet. De twee nieuwe regeringsverantwoordelijken,respectievelijk voor ondrewijs en cultuur waren niet onmiddelijk bereid dit initiatief van de vorige regeing verder te zetten. Pas recent, eind 2000, hebben beide ministers, na ondrehandelingen publiek verklaard werk te willen maken van mogelijke samenwerkingsverbanden tussen hun departementen en de daaran verbonden werkvelden. Vanuit het ministerie van cultuur werd Prof. Elias de opdracht gegeven van het rapport toch nog een bruikbare publicatie te maken. Hier stelt zich echter een prbleem. Het onderzoek werd afgerond eind 1998. Enerzijds bevat het nog zeer veel bruikbare elementen die inzicht verschaffen in de problematiek van de samenwerking tussen de sector onderwijs en de sector cultuur. Anderzijds is het noodzakelijk dat een aantal recente wijzigingen toegevoegd worden, wil de tekst niet als gedateerd overkomen. Vandaar volgend voorstel om wat middelen te krijgen vooe een 'tussenonderzoek'.

Toen begin de jaren '60 in België besloten werd de ministeries van onderwijs en cultuur te splitsen, dan was dat om aan de cultuur een kans te geven een autonomie te verwerven door zich maximaal via decreten en administraties te ontploiien als ruggesteun voor een cultuurbeleid. Dit cultuurbeleid wsa enerzijds gericht op de culturele ontwikkeling van het volk binnen de vrije tijd, via verenigingen en instellingen met het oog op cultuurspreiding. Anderzijds was het bedoeld als stimulans voor de verdere professionalisering van kunstenaars die de kans moesten krijgen kunst te produceren. In beide gevallen, namelijk cultuurparicipatie binnen de vrijetijdsbesteding en de kunstproductie, werd het onderwijs vergeten. Nochtans zijn beide sectoren in discussiesover hun werking het erover eens dat vele problemen opgelost zouden kunnen worden als in de school een aanvang werd gemaakt met cultuurbeleid en met kunstbeoefening.
Het cultuurbeleid heeft niet gezien dat kunstenaars reeds jong gevormd moeten worden en dat kunst leren waarderen best zo vroeg mogelijk gebeurt. De reglementeringen stoppen aan de schoolpoort. Het onderwijs heeft, zoals te verwachten was, de trend gevolgd dat het ondrewijs moet voorbereiden op de economisch meest redenerende opleidingen: wiskunde en exacte wetenschappen voor de bedrijfswereld, en talen om zo rationeel mogelijk betogen te kunnen houden tegen zoveel mogelijk mensen. Artistieke vakken kamen in de verdrukking binnen de prgramma's. Confrontaties met de artistieke wereld was na-schools of kreeg de waarde van een ontspannen uitstap.

De veronderstelling was, maar is nog steeds, dat we verkeren in een periode van fundamentele wending in de opvatting over cultuur en onderwijs. Dit gaat gepaard met een crisis. Deze crisis is het gevolg van het feit dat het cultuurbeleid niet voorzien is op het binnentreden in scholen of op het naar buiten treden van de scholen. Het onderwijs ezlf is ook niet voorbereid op deze veranderingen. Nochtans doet zich in de onderwijswereld als in de culturele sector een beweging voor die de kunsten uit de sfeer van de vrijblijvende vrijetijdsbesteding wil halenen ze wil gebruilen als volwaardige educatieve middelen binnen het onderwijs. Dit is geen indermjinen van het economisch-efficiëntie model. Hte is er ofwel versteviging avn, namelijk wanneer het belang van creativiteit benadrukt wordt binnen dit model. Ofwel een alternatief, namelijk dat dit model niet het enige is, maar dat het gerust een evenwaardige nevenmodel kan verdragen waarin andere waarden vooropgesteld worden. Het vertrekt vanuit de opvatting van Kant en Habermans dat er drie vevenwaardige wijzen zijn waarop de mens in relatie met de wereld rondom hem, namelijk de sociaal-normatieve(religie, moraal, wet), de wetenschappelijke en de esthetische. Wat dit derde domein betreft gaat men er dan ook vanuit dat het voorwrep van de esthetische houding, namelijk de kunst, een volwaardig educatief middel is gebaseerd op de complexiteit van haar structuur en dus in zekere zin hetzelfde effcet kan hebben als bijvoorbeeld het wiskundige vraagstuk of een tekst uit de klassieke oudheid. Vretrekkend vanuit de hypothese dat kunst verantwoord educatief middel kan zijn, dat doeltreffend wordt naarmate dat men met dat middel beter leert omgaan, werd onderzocht of ni de onderwijs-en culturele sector van de vooropgestelde crisis sprake kan zijn, hoe die dan geformuleerd wordt en wat de vooropgestelde oplossingen zijn.

Het onderzoek bracht zeer veel onformatie aan het licht. Het zou spijtig zijn dat de resultaten hiervan niet gepubliceerd zoudenn kunnen wodren. Toch heeft dit maar zin als betreffende hoofdstuk kan afgerond worden met een deeltje over de wijzigingen die de laatste twee jaar in de sector zelf gebeurd zijn. Ook die wereld staat immers niet stil. Temeer daar er internationaal door Prof.Ken Roninson in opdracht van de Raad voor Europa een geglijkaardig onderzoek gebeurd is (K.Robinson,art education in Europe: a survey,Council of Europ, Strasbourg,1997). Vlaanderen heeft hieraan niet deelgenomen. Dit betekent dat we zelf onderzoek op dit gebied moeten voeren. Het eerste luik van het onderzoek zal dus bestaan uit het up-to-date maken van de vorige onderzoeksresultaten. Het is uiteraard niet mogelijk het onderzoek over te doen, maar het bevragen avn een aantal deskundigen per deelgebied volstaat om een kijk te hebben op de recente ontwikkelingen. Het resultaat van dit alles mag voorgesteld worden, op uitnodiging, tijdens het INSEA-world congressen in New York eind 2002. Het zou tevens resulteren in een boek:'kunsteducatie in Vlaanderen:theorie en praktijk'.

Er is een tweede luik aan dit tussenonderzoek. Onderzoek staat spijtig genoeg niet altijd los van politieke belangen. De middelen die werden vrijgemaakt hadden de bedoeling een wetenschappelijke onderbouw te geven aan een experiment van de beide kabinetten onderwijs. UIteraard is het onderzoek los van deze ideologische bedoelingen gebeurd. Maar het blijft een feit dat nieuwe onderzoeksprojecten die aan de overheid os andere externe fondsen voorgesteld worden moeten herdacht worden in een nieuwe open sfer. Wat hier dus meoet gebeuren is een kleine bevraging bij de verantwoordelijke personen om na te gaan wat de acute problemen zijn die dienen ondrezocht te worden en volgens welke prioriteiten dit dient te gebeuren. Het is de bedoeling om heirvan een vijfjarenplan te maken.

Verbonden aan het tweede luik bevat dit onderzoeksvoorstel ook een derde. Een dregelijke onderzoeksexpansie kan niet zonder een onderzoekscentrum en een eraan verbonden documentatiecentrum gespecialiseerd in alle voremen van kunsteducatie. Vernieuwing van enkele cultuurdecreten heeft gemaakt dat er geopteerd wordt om gespecialiseerde documentatiecentra te ondersteunen. Dit maakt dat het enige Vlaams documentatiecentrum rond amatuerkunst en kunsteducatie opgesplitst wordt en verspreid over de steunpunten die met een bepaalde tak van amateurkunst begaan zijn. Voor het gedeelte over 'kunsteducatie' is er geen plaats in deze decentralisering. De overheid is bereid dit aan de afdeling agogiek toe te vertrouwen, mits het toegankelijk blijft ook voor niet VUB'ers. Hiervoor zou het huidige documentatiebestand zelf een nieuwe input moeten hebben zodat we zelf ook een inbreng kunnen doen. Documentatie die we overigens voor het lopende onderzoek ook nodig hebben. Eens dit geïnstitutionaliseerd is zouden er verdere middelen van de overheid kunnen komen.
AcronymOZR703
StatusFinished
Effective start/end date1/01/0231/12/03

Flemish discipline codes

  • Sociology and anthropology

Keywords

  • schooleducation
  • cultural agogics
  • art
  • art education
  • culturpolicy