BOM-VL - WP5.3: Aanbevelingen doelgroepscenario’s

Lien Mostmans, Eva Van Passel, Gert Nulens, Stijn Bannier

Research output: Book/ReportCommissioned report

Abstract

De algemene doelstelling van werkpakket (WP) 5 'Architectuur voor Digitale Bewaring en
Ontsluiting' in het BOM-VL project omvat het formuleren van concrete richtlijnen inzake de
distributie van multimediale content in Vlaanderen. Daartoe werd al onderzocht wat het
aanbod is (WP 5.1). In het voorgaande rapport binnen WP 5 (WP 5.2) werden aan de hand
van een doorlichting van internationale cases bestaande distributieplatformen in kaart
gebracht. Hierbij werden met name de distributiemogelijkheden inzake multimediale
content naar een aantal doelgroepen zoals het onderwijs, de culturele sector en het brede
publiek verder onderzocht. Uit deze omgevingsanalyse werden een aantal modaliteiten en
modellen gedistilleerd.

Via informanteninterviews worden de mogelijkheden binnen de verschillende subsectoren
in kaart gebracht en beoordeeld. In eerste instantie werden de interviews gepland binnen
drie subsectoren, overeenkomstig met de gebruikersgroepen die vooropgesteld worden in
het projectvoorstel: de culturele sector, het onderwijs en de creatieve industrie. In overleg
met de partners binnen werkpakket 5 werd beslist om per sector ongeveer drie experts te
raadplegen. In totaal werden 10 interviews afgenomen.

Er werd gekozen om de interviews af te nemen aan de hand van semi-gestructureerde
vragenlijsten, die werd nagelezen en goedgekeurd door de werkpakketleider. Er werd
beslist om in de vragenlijsten uit te gaan van concrete voorbeelden van aanbod- en
distributiemodellen; bepaalde modellen zijn meer zinvol voor een bepaalde sector dan voor
een andere. Algemeen werden de interviews telkens aangevat met een voorstelling van de
modellen ter discussie, respectievelijk Teleblik en ED*IT (onderwijssector), een centrale
architectuur (cultuur sector) en de modellen van ZDF Enterprises (B2B) en l'Institut
National de l'Audiovisuel (B2B en B2C) aan informanten uit de creatieve sector. De vragen
peilden naar het oordeel van de informanten over deze modellen en over de haalbaarheid
van dergelijke modellen binnen een Vlaamse context. In een volgende fase werd gevraagd
naar de gepercipieerde algemene randvoorwaarden voor een succesvol distributiemodel.
Voorts werd geïnformeerd naar andere mogelijke distributiemodellen die de informanten
kennen en die als meer haalbaar beschouwd worden. Vanuit dit onderwerp werden de
kwestie prijszetting en betalingsbereidheid aangesneden. Eveneens vanuit de haalbaarheid
van verschillende modellen werd ten slotte gepeild naar mogelijke concurrenten van een
dergelijk multimedia-archief.

Het is geboden te wijzen op het kleinschalige karakter van dit rapport. Het beperkt aantal
gehoorde informanten laat het niet toe om sluitende uitspraken te doen over de
wenselijkheid en de haalbaarheid van de voorgelegde modellen. Anderzijds kunnen de
gesprekken opgevat worden als een voorzichtige indicatie van de houding van de
verschillende sectoren tegenover het vooropgestelde BOM-VL platform en/of de andere
voorgelegde distributiemodellen. Enige voorzichtigheid bij de interpretatie van de (opzet
van de) besluitvorming is daarom op zijn plaats.

Zoals te verwachten valt, blijkt uit de gesprekken dat elke sector specifieke
verwachtingen, noden en workflows heeft als het gaat om de distributie van audiovisueel
materiaal. Een belangrijke voorwaarde bij het gebruik van audiovisueel materiaal en de
distributie ervan in het onderwijs kan herleid worden op didactiek. De informanten wijzen
op het belang om louter instrumenteel gebruik te vermijden en over te gaan tot een
geïntegreerde audiovisuele lesmethode. Alleen door audiovisueel materiaal op die manier
toe te passen kan het op een volwaardige educatieve manier gebruikt worden. Dit signaal
wordt ook vanuit het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming gegeven, getuige de
sleutelvaardigheid mediawijsheid van het secundair onderwijs. De bewerking van het
materiaal veronderstelt in die zin een zeker engagement van leerkrachten en
leerplanmakers bij de totstandkoming van een degelijk audiovisueel onderwijsplatform.
Dat user-generated metadata een drempel kunnen vormen, doet anderzijds vermoeden
dat dergelijke betrokkenheid enigszins voorbarig is. De drie informanten beklemtonen
bovendien dat een mentaliteitswijziging vereist is in Vlaanderen, inzake het gebruik en de
distributie van audiovisueel materiaal in het onderwijs. Dit impliceert tegelijkertijd de
voorbarigheid van om het even welk distributiemodel voor audiovisuele content in
Vlaanderen, bijgevolg ook van het licentiemodel. Maar als voldaan wordt aan de
voorwaarde dat materiaal niet louter illustratief kan ingezet worden, dan stellen twee van
hen een zekere bereidheid tot betalen vast, ook als dit betekent dat audiovisueel materiaal
daartoe mogelijk bewerkt moet worden.

De meningen over de haalbaarheid en de wenselijkheid van een gecentraliseerde
architectuur voor de culturele sector lopen sterk uiteen. Bovendien verschillen de
informanten ook sterk in de manier waarop verschillende modaliteiten van het platform
idealiter verwezenlijkt worden. Toch kan uit de gesprekken met de informanten een
gelijkvormig model gedistilleerd worden. Ze schrijven het voorgestelde gecentraliseerde
model voornamelijk eerder een databankfunctie toe en zien het vooral als een tool die kan
dienen bij de verrijking van eigen content, al dan niet van audiovisuele aard. Eén
informant wees bovendien op de nood om binnen dergelijk platform een B2B-toepassing te
onderscheiden van een B2C-luik. Bovendien kan het recente failliet van Fabchannel een
insteek zijn voor de ontwikkeling van een BOM-VL model. Fabchannel is een platform dat
de online distributie van concerten in de Amsterdamse Paradiso streamt en werd genoemd
als best-practise. Het business model van Fabchannel is enerzijds gebaseerd op
internationale streaming rechtenovereenkomsten en anderzijds op de inkomsten van
internationale reclame en sponsoring. Hoewel het om een geïsoleerd voorbeeld gaat, dat
zich bovendien in een getroubleerde sector bevindt als het om de distributie van zijn
content gaat, i.e. de muziekindustrie, kan hieruit afgeleid worden dat een stabiele
medewerking tussen de verschillende partners in het distributieproces van (audiovisueel)
materiaal op lange termijn aangewezen is. Bovendien toont dit voorbeeld aan dat een
zekere voorzichtigheid op zijn plaats is wat betreft het opbrengstpotentieel van online
reclame en sponsoring.

De informanten uit de creatieve industrie geven aan dat er interesse is in een centraal
archief van audiovisuele content, maar daarbij moet rekening gehouden worden met
verschillende exploitatiemogelijkheden afhankelijk van de doelgroep. Een model zoals dat
van ZDF Enterprises ziet men in een B2B-context zeker werken, aangezien hetzelfde
betalingsmodel reeds op een dergelijke manier gehanteerd wordt, hoewel niet in het kader
van een centraal archief. Er is wat terughoudendheid wat betreft de haalbaarheid van een
betalend model in een B2C-context. Hierbij speelt enerzijds de geringe vraag naar content
in de huidige situatie en anderzijds de aanwezigheid van andere platformen waar content
gratis beschikbaar gemaakt wordt - al dan niet legaal - bijvoorbeeld op YouTube. Daar
staat tegenover dat er door video on demand initiatieven als van Telenet en Belgacom en
de goede verkoop van DVD's ook bij de informanten het gevoel leeft dat de gebruikers
interesse hebben in dergelijke content. Daarnaast zien de producenten vaak dat mensen
materiaal opvragen waar ze zelf in voorkomen, of waar vrienden of familie in te zien zijn.
Hier speelt echter mee dat op kleine schaal de kosten van deze exploitatie te hoog zullen
zijn en op grote schaal de vraag misschien niet groot genoeg.

Uit de gesprekken blijkt dat voor de distributie van multimediale content idealiter een
onderscheid wordt gemaakt tussen een B2B- en B2C-luik, zoals ook in het projectvoorstel
wordt vooropgesteld, maar dat binnen de muren van beide modules een verdere opdeling
gemaakt moet worden per sector. Hoewel de terminologie van deze opdeling voer kan zijn
voor discussie - het kan bijvoorbeeld moeilijk zijn om het te hebben over B2B-transacties
in een onderwijscontext - kan ze voor een deel teruggebracht worden op het onderscheid
tussen privaat en professioneel gebruik van audiovisueel materiaal. Mogelijke
betaalmodellen binnen een B2B-context zijn voor een aantal informanten ruilmodellen en
pay-per-use modellen. Binnen een B2C-luik zijn free-and-added-value en pay-per-order
mogelijke modellen. Een aantal informanten betwijfelt echter de potentiële afzetmarkt en
daardoor ook de relevantie en duurzame haalbaarheid van een B2C-luik.

Daarbij komt dat de digitalisering en de distributie van digitaal audiovisueel materiaal
zodanig prijzig zijn dat de beschikbaarheid ervan dikwijls problematisch is. Dit werd met
name aangegeven door informanten uit de culturele sector. In dit rapport werd de
overheid meermaals aangewezen als primaire investeerder in de digitaliseringsfase. Een
verdere uitwerking en bijkomende (distributie) modaliteiten kunnen vervolgens aan de
hand van private-public partnerships opgezet worden. Ook third-party modellen werden
genoemd, waarbij reclame-inkomsten de distributie van content en/of diensten
zelfbedruipend maken. Anderzijds blijkt uit het failliet van Fabchannel dat reclameinkomsten
geen gedurige werkingsbodem bieden voor de (online) distributie van digitaal
audiovisueel materiaal. Verder onderzoek is aangewezen om (1) de specifieke kosten van
de verschillende fasen in het digitaliseringsproces nader te bepalen en (2) de haalbaarheid
van potentiële financieringsconstructies en -modellen na te gaan.
Original languageDutch
PublisherConsortium BOM-VL
Number of pages58
Publication statusPublished - 18 Mar 2009

Publication series

NameEindrapport voor het BOM-VL project (Bewaring en Ontsluiting van Multimediale data in Vlaanderen), Werkpakket 5.3. (Architectuur voor digitale bewaring en ontsluiting: aanbevelingen doelgroepscenario’s)

Keywords

  • digi

Cite this