De logopedist en de zangstem.

Research output: Chapter in Book/Report/Conference proceedingMeeting abstract (Book)

Abstract

De logopedist kan zeker iets betekenen voor de zanger, zij het onder bepaalde voorwaarden en met goede afspraken. De logopedist moet de 'artistieke wereld' en de druk die daaraan verbonden is onderkennen én begrijpen. Het vertrouwen tussen de logopedist en de zanger is erg belangrijk. Deze mensen zijn applaus gewoon, ze verwachten en "eisen" dat je altijd voor hen klaar staat.

De logopedist(e) leert de basistechniek aan: mooi laag ademen, in het masker leren spreken met goede resonans; een pittige en krachtige articulatie om het loslaten van het middenrif te stimuleren... Logopedisten trainen immers de spreekstem en vragen om zo rustig en economisch mogelijk te spreken. De zangtechniek druist daar niet tegen in, maar eist zo veel meer van de zanger. De verschillende zangstijlen vragen bijvoorbeeld verschillende instellingen van het aanzetstuk, van de positie van de larynx, van de plaats van resonans.... We moeten daar als logopedist rekening mee houden en afspraken maken met de zangpedagoog, we moeten weten welke zanger welke zangstijl aangeleerd wordt. Zo is er bijvoorbeeld een groot verschil tussen jazz en pop wat de plaats van resonans betreft. Bij pop ligt de resonans vooraan in de mond en voorhoofd, bij jazz komt de lage resonans erbij. Ook wat de articulatie betreft zijn er verschillen: bij Jazz kan de uitspraak niet pittig zijn, bij Muscial echter moet de uitspraak heel pittig zijn. Waar staan we als logopedist als we volhouden dat de verticaliteit bij het spreken de enige goede oplossing is? Voorzichtigheid is dus geboden bij het aanbrengen en uitleggen van de basistechniek. De zanger mag geen tegenstrijdige informatie krijgen.

De regels van de stemhygiëne volgen ze meestal erg goed op, maar door de 'prestatiedruk' zijn ze snel geneigd te blijven zingen, ook als het strottenhoofd ontstoken is. Samenwerking met de Neus - Keel en Oorarts is onontbeerlijk.

Speciale aandacht verdient de 'emotionele instelling'. Een zanger moet 'graag' zingen en zich ook goed voelen als hij/zij dat doet. Elke zangstijl straalt ook een andere emotie uit: opera verwijst naar grootsheid, passie en fierheid, operette naar romantiek, vriendelijkheid en sentimentaliteit terwijl rock verwijst naar rebellie, durf en seksualiteit. Logopedisten moeten rekening houden met de emotionele gesteldheid en zelfs de persoonlijkheid van de zanger. Als je een zanger begeleidt doe je meer dan enkel een techniek aanleren.

De operafolklore blijft hardnekkig aanwezig: een tenor zou altijd klein en gedrongen zijn, met een dikke nek en brede borstkas. Ze hebben de reputatie arrogant te zijn en moeilijk om mee te werken. Baritons en bassen zouden groter zijn, minder emotioneel en gekend om hun sterk libido. Parallel hiermee, maar minder vanzelfsprekend, denkt men soms nog dat mezzo's en contra-alten groter zijn, minder 'hysterisch' en met een sterker libido dan de sopranen. Glenn Wilson onderzocht of deze stereotypen enige wetenschappelijke waarde hadden of of ze enkel deel uitmaakten van de opera folklore.

We moeten besluiten dat zingen méér is dan een goede techniek, dat de mens achter de stem ook erg belangrijk is. Als logopediste sta je best met één been in de artistieke wereld, je moet met die eigenheid rekening houden.
Original languageDutch
Title of host publicationVOX 2004
Publication statusPublished - 16 Jun 2004

Publication series

NameVOX 2004

Keywords

  • the singing voice

Cite this