Abstract
Het boek ik (1951) wordt door H.R. Heite gezien als "de enige vorm van Vijftigersproza". Wat de dichters van Vijftig met de poëzie deden, haar bevrijden van alle poëtische en grammaticale conventies, wordt volgens hem ook door de prozaschrijver Bert Schierbeek gedaan. Alleen Lucebert, met wie hij samenwerkte, lijkt iets gelijkaardigs te doen, zonder echter de syntaxis in zijn proza te ontwrichten. In mijn bijdrage ga ik eerst aan de hand van Werner Wolf na waaruit de lyricisering van Schierbeeks proza bestaat en waarom dit proza geen poëzie genoemd kan worden maar wel "proëzie". Vervolgens onderzoek ik of Schierbeek inderdaad alleen stond met zijn lyricisering. Ik zie vooral het prozagedicht, dat door heel wat experimentele dichters werd gebruikt, als de plaats waar lyricisering valt te onderscheiden. Zowel het poëtisch proza van Schierbeek als het prozagedicht uit de jaren vijftig blijken schatplichtig te zijn aan het Franse surrealisme, dat na de Tweede Wereldoorlog voor een bevrijding in de literatuur zorgde.
| Original language | Dutch |
|---|---|
| Pages (from-to) | 587-604 |
| Number of pages | 18 |
| Journal | Revue Belge de Philologie et d'Histoire |
| Volume | 91 |
| Issue number | 3 |
| Publication status | Published - 2013 |
Keywords
- generation; lyrical prose; Schierbeek
Cite this
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver