Hoge kinderloosheid tijdens het interbellum in Nederland: de rol van godsdienst, levensstandaard en economische crisis

Jan Van Bavel, Jan Kok, Theo Engelen

Research output: Chapter in Book/Report/Conference proceedingChapter

Abstract

In de recente literatuur rond de stijging van de kinderloosheid in het Westen wordt uiterst zelden verwezen naar de stijging die plaatsvond vanaf ongeveer het laatste kwart van de negentiende eeuw. Nochtans ging de daling van de vruchtbaarheid ook op het einde van de negentiende en in het begin twintigste eeuw in de meeste Europese landen en in de Verenigde Staten van Amerika gepaard met een opmerkelijke toename van de kinderloosheid. De kinderloosheid bereikte zijn voorlopige hoogtepunt tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog en was toen voor een niet onbelangrijk stuk verantwoordelijk voor het feit dat de vruchtbaarheid in vele landen een hele tijd onder het vervangingsniveau lag. Dat was onder meer het geval in België, Duitsland, Denemarken, Engeland, Frankrijk, Noorwegen, Zweden en Zwitserland, maar niet in Nederland. In Nederland in zijn geheel dook de vruchtbaarheid toen nog niet onder het vervangingsniveau. Dat neemt niet weg dat een aanzienlijk aandeel van de Nederlandse vrouwen geboren rond het jaar 1900 kinderloos bleef, namelijk 23 procent (net iets minder dan de Franse 25 procent maar ruim dubbel zoveel als de 11 procent kinderloze Nederlandse vrouwen geboren vlak na de Tweede Wereldoorlog). Mogelijk blijft in de hedendaagse literatuur de vergelijking met de laat negentiende en vroeg twintigste-eeuwse evolutie achterwege omdat onderzoekers betwijfelen of die historische vergelijking wel relevant is voor de hedendaagse situatie. De indruk bestaat namelijk dat het om twee categoriek verschillende vormen van kinderloosheid zou gaan. Vóór de pil zou hoge kinderloosheid vooral onvrijwillig zijn geweest. Onvruchtbaarheid kon bijvoorbeeld het gevolg kon zijn van chronische ziekte of ondervoeding of een te lang uitgesteld huwelijk. Dat de gemiddelde vruchtbaarheid tijdens het interbellum zo laag was, had volgens recente interpretaties veeleer te maken met de diepe economische en politieke crisis van die jaren. Vanaf het midden van de jaren 1960 zou dan een heel nieuw type van kinderloosheid gegroeid zijn, als structureel onderdeel van de sociaaldemografische veranderingen bekend als de tweede demografische transitie. In deze laatste periode zijn chronische ziekten en ondervoeding in de Westerse landen sterk teruggedrongen en kwamen er zeer efficiënte contraceptieve middelen op de markt. Uitstel en afstel van ouderschap werden in veel grotere mate een kwestie van vrije keuze. Afgezien van mensen die om lichamelijke redenen geen kinderen kunnen krijgen, kreeg de kinderloosheid daarmee fundamenteel een vrijwillig karakter, in tegenstelling tot vroeger.
In deze bijdrage nemen we de heersende interpretatie van hoge kinderloosheid tijdens het interbellum op twee manieren kritisch onder de loep. Ten eerste vatten we samen hoe internationaal vooraanstaande demografen en andere sociale wetenschappers uit het interbellum de hoge kinderloosheid van hun tijd interpreteerden. Daaruit zal blijken dat hun visies opvallend verschillen van de net geschetste redenering. Kort samengevat zagen auteurs uit het interbellum de volgende oorzaken voor hoge kinderloosheid: een almaar stijgende levensstandaard, gepaard gaand met een toenemend consumentisme, materialisme en individualisme en een neiging om de eigen beroeps- en ontspanningsactiviteiten op de eerste plaats te stellen. We besteden ook aandacht aan de echo's van het internationale debat rond de bevolkingskwestie in Nederland, dat door zijn relatief hoge vruchtbaarheid in die jaren een bijzondere positie innam. Ten tweede onderzoeken we hoe individuele en regionale kenmerken verband hielden met de kinderloosheid tijdens het interbellum. Om dit te doen maken we gebruik van de Historische Steekproef Nederland en van de Historische Databank Nederlandse Gemeenten voor de regionale kenmerken. Waren het vooral de meer of de minder gegoede beroepsgroepen die kinderloos bleven? Speelde de godsdienstige denominatie een grote rol? Waren het vooral de vrijzinnige echtparen die kinderloos bleven? Was de kans op kinderloosheid vooral groot in regio's die door hoge werkloosheid getroffen werden? Wat is de samenhang met het percentage mensen dat bij verkiezingen een stem uitbracht voor een vrijzinnige politieke partij? En wat leert ons dit alles over het al dan niet "vrijwillige" en crisisgebonden karakter van de kinderloosheid tijdens het interbellum?
Onze modellen laten zien dat huwelijksuitstel een belangrijke rol speelt in de verklaring van kinderloosheid. In een aantal sociale groepen (met name de midden en hogere groepen) was het gebruikelijk te wachten met trouwen en kinderen krijgen tot een acceptabel welstandsniveau was bereikt. Alleen bij de meest geschoolde groepen én bij de baanlozen blijkt een relatief grote neiging om ook ná het huwelijk tot uitstel en afstel van kinderen over te gaan. Interessant is dat controle voor de huwelijksleeftijd het effect van religie juist sterker doet uitkomen. Hier blijkt heel duidelijk het onderscheid tussen groepen voor wie het uit- of afstellen van kinderen denk- en doenbaar was en voor wie dat niet was. Voor orthodox-protestanten en rooms-katholieken was kinderloosheid eigenlijk geen optie, terwijl mensen die hun religie vaarwel hadden gezegd, of er geen bezwaar tegen hadden iemand met een ander of geen geloof te huwen, dat wel in hun overwegingen konden betrekken. Het wonen in een stedelijke omgeving gaf nog een extra impuls om uit- en afstel van kinderen als optie te zien. Hetzelfde geldt voor het wonen in een gemeente met een groot aanbod van winkels. Dit suggereert dat men de kinderloosheidsoptie inderdaad eerder koos als men gewend was geraakt aan een hoog welstandsniveau, zoals de contemporaine waarnemers suggereerden. Daarentegen had het wonen in een gebied met veel werkloosheid geen effect op het al dan niet kinderen krijgen.
Original languageDutch
Title of host publicationHonderdvijftig jaar levenslopen. De historische steekproef Nederlandse bevolking
EditorsInneke Maas, Marco H.D. Van Leeuwen, Kees Mandemakers
Place of PublicationAmsterdam
PublisherAmsterdam University Press
Pages51-80
Number of pages30
Volume83
ISBN (Print)978-90-8964-067-3
Publication statusPublished - 2008

Publication series

NameMens & Maatschappij
PublisherAmsterdam University Press
Volume83
ISSN (Print)0025-9454
ISSN (Electronic)1876-2816

Keywords

  • fertility
  • fertility control
  • childlessness
  • interwar period
  • historical demography
  • secularisation

Cite this