RAPPORT ONDERZOEKSPROJECT "The development of proficiency in a second language - the role of language status and learning context" (GOA 52)

Ellen Schoonheere, Els Schoonjans, Aurélie Welcomme

Research output: Book/ReportCommissioned report

Abstract

Eerder onderzoek naar tweedetaalverwerving wijst uit dat tweedetaalleren net zo goed een product is van cognitieve, leerder-interne factoren als van contextuele, externe aspecten. Deze laatste werden tot op heden echter enigszins onderbelicht in onderzoek ter zake (Atkinson, 2002; Collentine & Freed, 2004; Tarone, 2000). Dit document rapporteert over een grootschalig onderzoeksproject aan de Vrije Universiteit Brussel dat dit onevenwicht wil helpen bijstellen. De focus ligt op de wisselwerking tussen contextuele variabelen en kenmerken van de leerders in tweedetaalonderwijs en hun impact op de resultaten van het leerproces in termen van tweedetaalvaardigheid en sociaalpsychologische disposities.
Het onderzoeksproject handelt over curriculaire en extracurriculaire aspecten van de leercontext, waar gezamenlijk naar wordt verwezen met de term 'socio-educationele leercontext'. Het valt uiteen in drie onafhankelijke empirische studies die elk de impact van één set van contextuele factoren op het taalleerproces bestuderen. In de eerste studie (Studie A) wordt onderzocht hoe de ruimere, 'externe leercontext' het taalleerproces in een onderwijscontext kan beïnvloeden. We gaan voor de operationalisering van de variatie in de 'externe leercontext' uit van het traditionele onderscheid tussen tweedetaalleren en vreemde taalleren op basis van meer specifieke sociolinguïstische variabelen zoals de prominentie van de eerste en de tweede/vreemde taal in de leercontext. De tweede studie (Studie B) bekijkt de rol van de sociaal-economische 'status' van de eerste taal van de leerders in het taalleerproces. In de derde studie (Studie C) ligt het accent dan weer op een psycholinguïstisch eerder dan sociolinguïstisch aspect van de leercontext: de mate typologische verscheidenheid of gelijkenis tussen de eerste en de tweede taal.
In elk van de drie studies bestaat de onderzochte populatie uit leerlingen van het lager onderwijs (tussen 8 en 12 jaar oud) die Engels (Studie A) of Frans (Studies B en C) als tweede/vreemde taal leren. Dezelfde methodologie wordt gebruikt in de drie studies om de impact van de drie onafhankelijke, contextuele variabelen te onderzoeken op twee sets van afhankelijke variabelen: (a) de taalvaardigheid in de doeltaal en (b) de attitudes en motivatie ten opzichte van (het leren van) de doeltaal. Alle leerlingen hebben op het moment van de gegevensverzameling ongeveer 450 uren klassikaal contact met de betreffende doeltalen achter de rug. Hun taalvaardigheidsniveau wordt bepaald aan de hand van een cloze test en de analyse van de mondelinge productie naar aanleiding van twee verschillende elicitatietaken (een narratieve taak en een probleemoplossende taak). De mondelinge taalvaardigheid van de leerders wordt uitgedrukt door middel van een aantal globale maten van complexiteit, accuraatheid en vlotheid. Een enquête gebaseerd op de AMTB (Gardner, 1985, 2000) brengt de sociaalpsychologische disposities van de leerlingen in kaart.
In het algemeen blijkt uit de resultaten dat sociaal-culturele en sociaal-structurele kenmerken van de T1 en de T2 relevante factoren zijn voor de ontwikkeling van globale en mondelinge T2-vaardigheden en van bepaalde aspecten van de sociaalpsychologische oriëntatie van de leerders. De studie toont aan dat de prominente aanwezigheid van de doeltaal in de leercontext een positief effect heeft op globale taalvaardigheid van de leerders en ook op de lexicale rijkheid en vlotheid van hun mondelinge T2-productie. T1- en T2-prominentie hebben daarentegen geen meetbaar effect op sociaalpsychologische disposities. Ook de relatieve status van de moedertaal blijkt een rol te spelen. Leerders met een T1 met een relatief lagere sociolinguïstische status kunnen betere scores behalen voor T2-vaardigheid en positievere sociaalpsychologische disposities vertonen. Tenslotte werd ook een beperkt effect van de mate van typologische gelijkenis tussen de T1 en de T2 geobserveerd: leerders wiens T1 typologisch dichter staat bij de T2 ondervinden daarvan een beperkt positief effect op hun T2-vaardigheiden. De mate van typologisch onderscheid tussen de moeder- en de doeltaal heeft geen invloed op sociaalpsychologische disposities.
Original languageDutch
PublisherUnknown
Number of pages61
Publication statusPublished - 2011

Keywords

  • English as an L2
  • French as an L2
  • learning context
  • language status
  • language typology
  • CAF

Cite this