'Wrongful life' en de zaak Rukiyé. Heeft een genetisch zwaar beschadigde foetus een in rechte beschermd belang bij zijn eigen abortus?

Research output: Contribution to journalArticle

Abstract

De zaak Rukiyé: de eigen onrechtmatige geboorte als bron van schadevergoeding

1. De feiten en het arrest

Ten gevolge van een vals negatieve genetische test, afgenomen in het UZ Brussel, wordt Rukiyé, een genetisch zwaar gehandicapt kind geboren. De ouders stellen een vordering tot schadevergoeding in omdat zonder de fout van het ziekenhuis het kind geaborteerd zou zijn. De vals negatieve test was te wijten aan het gebruik van een preparaat dat door de fabricant niet voor diagnostische doeleinden op de markt gebracht was. Het UZ stelt dat het falen van de test echter te wijten was aan de onzuiverheid van het preparaat en vindt daarom dat niet zij maar de producent aansprakelijk is voor de schade. In zijn arrest van 21 sept. 2010 veroordeelt het hof van beroep te Brussel het UZ niet enkel tot vergoeding van de schade die de ouders geleden hebben (wrongful birth), maar ook voor de schade die het kind zelf heeft geleden door zwaar gehandicapt geboren te worden ten gevolge van een beroepsfout (wrongful life). Het kind dat nog geboren moest worden, had een in rechte beschermd belang bij zijn eigen abortus, zo oordeelt het hof.

2. Een rechtsfilosofisch kader

In deze bijdrage worden enerzijds enkele kritische vragen gesteld over de rechtvaardigheid van deze concrete beslissing. Anderzijds wordt een principiëel rechtsfilosofisch kader geschetst op grond waarvan wrongful life claims onder bepaalde voorwaarden toewijsbaar zijn. Internationaal wijzen veel rechters de wrongful life vordering om verschillende redenen af. De belangrijkste is dat de schade niet vast te stellen is want het kind zou zonder de fout immers niet bestaan hebben en men acht het onmogelijk om het bestaan (hoe gebrekkig ook) als 'schade' op te vatten in vergelijking met het niet-bestaan. In het artikel wordt betoogd waarom deze argumenten niet overtuigend zijn. Voorts wordt geargumenteerd dat eenieder op grond van zijn intrinsieke menselijke waardigheid een recht heeft op een minimale levenskwaliteit. Kinderen bij wie dit recht geschonden is door hen ten gevolge van een beroepsfout geboren te laten worden in een deerniswekkende toestand van uitzichtsloos lijden, hebben daarom recht op schadevergoeding.

3. Wrongful life en menselijke waardigheid

In deze bijdrage wordt op nauwgezette wijze betoogd dat dergelijke vorderingen geen negatief waardeoordeel over het voortbestaan van die kinderen impliceert, dat ze geen schending van de menselijke waardigheid inhouden en evenmin het respect voor gehandicapten uithollen. Tot slot gaat het artikel ook nog in op de ethisch delicate vraag of er een plicht bestaat om te verhoeden dat zwaar gehandicapt leven geboren wordt. De auteur meent dat een dergelijke plicht inderdaad aan het ontstaan is, maar hij wijst ook op de gevaren van verglijding. De tegenovergestelde visie die pleit voor 'absolute steun' aan gelovigen die willens en wetens een zwaar gehandicapt kind laten geboren worden, berust volgens de auteur op al te grote inschikkelijkheid jegens een moraaltheologie die ethisch bedenkelijke gevolgen heeft.
Original languageDutch
Pages (from-to)354-365
Number of pages12
JournalNieuw Juridisch Weekblad
Publication statusPublished - 25 May 2011

Keywords

  • wrongful life

Cite this