Sociale bescherming vanuit het levensloopperspectief. Naar een levensloopbestendig pensioenstelsel.

Projectdetails

!!Description

Zowel op academisch als op beleidsniveau vindt het zgn. levensloopperspectief of de levensloopbenadering steeds meer ingang bij het denken over het sociaal en arbeidsbeleid. Deze vernieuwende benadering vertrekt van de stelling dat hedendaagse levenslopen van mensen steeds vaker en duidelijker afwijken van de standaardlevensloop van achtereenvolens leren-werken of zorgen-rust, die nu nog een sterke verankering kent in het gevoerde beleid en de daaruuit volgende wet- en regelgeving. Moderne levenslopen zouden resulteren uit individuele flexibele combinaties van taken en activiteiten in meer levenssferen tegelijkertijd, de zgn. keuzebiografie. Het gaat daarbij om combinaites en transities tussen betaald werk en andere sociaal-productieve activiteiten zoals zorg, scholing en vrijwilligerswerk. Het doel van de levensloopbenadering bestaat erin om het beleid levensloopbestendig te maken, d.w.z. mensen beter in staat te stellen verschillende activiteiten in bepaalde levensfasen te combineren en af te wisselen en hun de vrijetijd te geven om daarin eigen keuzes en afwegingen te maken. Een levensloopbestendig sociaal beleid streeft ernaar dat de sociale bescherming niet langer afhankelijk is van het voltijds verrichten van arbeid gedurende een bepaalde fase van het leven, maar bewaard blijft in elk gedeelte van een steeds meer geïndividualiseerde levensloop. De invoering van een dergelijke levensloopbenadering zou belangrijke repercussies hebben voor de actuele premissen in het sociaal beleid en het sociaal recht en belangrijke standaarden en centrale concepten binnen het sociaal beleid en het sociaal recht zoals (passende) arbeid, werkbereidheid, pensioen, enz. in vraag stellen. Vooraleer op zoek te gaan naar de wijze waarop aanpassingen zouden kunnen gebeuren, is het echter van belang te weten in welke mate dit kan gebeuren. Het is deze vraag naar het adaptatievermogen en de rekbaarheid van het sociaal beleid en het sociaal recht die centraal staat in dit onderzoek. In de aanvangsfase van twee jaar willen wij de grondslag leggen voor een multidisciplinair wetenchappelijk ondezoek naar de invloed van de levensloopbenadering op het sociaal beleid en de hieruit voortvloeiende sociale bescherming. Wij leggen in deze aanvangsfase de focus op een van de belangrijkste transities in de standaardlevensloop, met name de transitie tussen werken en de opruststelling of pensionering, op het einde van de loopbaan. De pensionering impliceert thans de definitieve afsluiting van de beroepsactieve levensfase. De pensioenuitkering wordt opgebouwd, rekening houdend met de duur en de beloning van in het verleden verrichte prestaties binnen de betaalde arbeid. De levensloopbenadering gaat uit van de mogelijkheid om de beroepsactiviteiten naar eigen inzicht te spreiden over de gehele levensloop en houdt ook rekening met andere sociaal-productieve activiteiten dan betaalde arbeid. Zij werpt belangrijke vragen op, zowel met betrekking tot het concept pensioen, als met betrekking tot de wijze waarop het pensioen wordt opgebouwd. Zo rijst vooreerst de vraag wat het concept pensioen nog kan betekenen binnen de levensloopbenadering? Vormt de overgang tussen werken en rusten nog steeds een scharniermoment in de levensloop en is er nog wel een duidelijk pensioenmoment aan te duiden of dient (opnieuw) aansluiting gezocht te worden bij de noties arbeidsongeschiktheid en invaliditeit en brengt dit in voorkomend geval het concept pensioengerechtigde leeftijd op de heling? Werpt dit een nieuw licht op de vraag of het genot van een pensioen kan worden gecombineerd met arbeid? Moet de omvang van het pensioen gekoppeld blijven aan het arbeidsverleden? Welke principes kunnen het effect van rustperiodes tijdens de levensloop op de uiteindelijke pensioenuitkering reguleren? Dient, wat de pensioenvoorziening betreft, uitgegaan te worden van het verzekeringsprincipe of veeleer van solidariteit? Welke gevolgen kan één en ander hebben voor de verhouding tussen wettenlijke basispensioenstelsels en buitenwettelijke aanvullende pensioenstelsels? Deze eerste fase geeft ons inzicht in de effecten van een levensloopbenadering op het pensioenbeleid en de pensioenwetgeving.

In een tweede faste willen wij de levensloopbenadering zelf onderwerpen aan een kritisch onderzoek vanuit diverse invalshoeken. Sociologisch onderzoek moet ons leren in hoeverre de uitgangspunten van de levensloopbenadering empirisch bevestigd worden. Is het effectief wel zo dat een traditionele standaardlevensloop steeds duidelijker moet wijken voor een moderne geïndividualiseerde keuzebiografie of moet dit beeld juist sterk genuanceerd worden? Historisch onderzoek moet uitwijzen of een evolutie kan worden vastgesteld, in welke richitng zij gaat en welke daarbij de bepalende factoren zijn? Stelt de levensloopbenadering het sociaal beleid voor nieuwe vragen of gaat het om varianten van reeds vroeger gerezen vragen? Juridisch onderzoek moet uitwijzen of de levensloopbenadering of een bepaalde invulling ervan al dan niet strijdt met grondrechtennormen die zijn vastgelegd in het internationaal en het interne recht en hoe, indien gewenst, een levensloopbestendig pensioenstelsel juridisch kan worden uitgewerkt?
AcroniemHOA10
StatusGeëindigd
Effectieve start/einddatum1/01/0731/12/08

Flemish discipline codes

  • Law and legal studies