Verschriftelijking, geletterdheid en stedelijke transformatieprocessen tussen Seine en Rijn (1100-1300). Een interdisciplinair en comparatief onderzoek.

Projectdetails

!!Description

1. Huidig project beoogt, binnen een geografisch kader dat zich situeert in de regio tussen Seine en Rijn, de relatie en interactie tussen de specifieke (sociaal-culturele-politieke) ontwikkelingen inherent aan het 'verschriftelijkingsproces' enerzijds en de typisch stedelijke transformaties die zich in deze regio manifesteerden anderzijds op comparatief-inhoudelijke wijze te analyseren, en dit voor de periode van 1100 tot rond 1300. Het wenst hierbij recente vragen, zoals deze worden gegenereerd in het onderzoek dat zich respectievelijk richt op de contemporaine stedelijke transformatieprocessen en op de ontwikkeling van een 'geletterde mentaliteit', te combineren en toe te passen op de afgebakende ruimte, en dit vanuit een brongebonden analyse maar met oog voor het breder West-Europees kader. 2. Het zogenaamde fenomeen van de 'verschriftelijking' dat tijdens de volle en late Middeleeuwen plaatsvond en dat inhoudt dat binnen de middeleeuwse samenleving steeds meer individuen met schriftgebruik werden geconfronteerd en/of het zich toeëigenden, kan als een belangrijk en in essentie cultureel verschijnsel worden beschouwd (met implicaties op politiek, sociaal, economisch en cultureel vlak) waaraan de laatste drie decennia bijzonder veel historisch onderzoek werd gewijd. Algemeen wordt aanvaard dat vanaf de zogenaamde 'lange 13de eeuw' in grote regio's van de westerse samenleving een kwantitatieve en kwalitatieve toename van het (al dan niet 'praktisch' of 'pragmatisch') schriftgebruik, of van de omgang met het 'geschreven woord', kan worden vastgesteld, wat de ontwikkeling van een (westerse) 'geletterde mentaliteit' en een 'rationeel bewustzijn' tot gevolg zou hebben gehad [Th. Behrmann, 1995]. Deze evolutie, die zou hebben geleid tot een gewijzigd mentaal klimaat waarin de 'uitvinding' van de boekdrukkunst niet zozeer als een revolutionair gebeuren maar wel als een logisch gevolg of resultaat van een langdurig proces moet worden beschouwd, wordt door de meeste mediëvisten rechtstreeks gekoppeld aan de verstedelijking die zich vanaf de 11de eeuw manifesteerde. Inherent aan dit verstedelijkingsproces was er een groei van handel en nijverheid (met acceleratieverschijnselen vanaf de 12de eeuw en een hoogtepunt in de 13de eeuw in onderscheiden regio's), en reeds vanaf de 19de eeuw werd gesuggereerd dat deze in essentie economische urbane ontplooiing rechtstreekse invloed had op het schriftgebruik, aangezien de nieuwe sociaal-economische handels- en nijverheidsstructuren, alsook de zich ontwikkelende stedelijke instellingen, een verhoogde kennis van het schrift en van de geschreven comptabiliteit vereisten [synthese van dit onderzoek in F. Rörig, 1953]. In het onderzoek uit de tachtiger en negentiger jaren, dat zich richtte op de precieze ontwikkelingen in de 'lange 13de eeuw', met aandacht voor de functie en evolutie van het praktisch schriftgebruik in de stad, op het platteland en in curiale milieus, werd de relatie tussen verstedelijking en verschriftelijking bevestigd. De veranderingen op economisch vlak enerzijds en op het niveau van de politiek-administratief-juridische stedelijke structuren - los van mogelijke commerciële of industriële groei - anderzijds, werden hierbij als belangrijke stimulerende actoren onderlijnd [overzichten in M. Mostert, 1995, 2002 en 2005, in M. Clanchy, 1992; cf. ook de reeks Gesellschaft, Kultur und Schrift. Mediävistische Beiträge onder directie van H. Keller]. 3. Bovenvermeld onderzoek heeft geleid tot nieuwe vragen met betrekking tot het 'verschriftelijkingsproces' of tot de ontwikkeling van een 'geletterde mentaliteit' [synthese in A. Adamska en M. Mostert, 2004]. Naast de meer methodologische probleempunten die betrekking hebben op de definiëring en onderzoeksmethodologie van specifieke concepten ('geletterdheid', 'mentaliteit', 'stedelijkheid', en hoe dergelijke fenomenen te onderzoeken), betreffen deze eveneens de precieze relatie tussen geletterdheid en verschriftelijking enerzijds, en verstedelijking anderzijds. De vraag wordt ondermeer gesteld naar de precieze chronologie van het verschriftelijkingsproces in de verschillende Europese regio's; naar de manier waarop concepten zoals 'identiteit', 'ceremonie' of 'publieke sfeer' in het onderzoek moeten worden betrokken; naar de differentiëring in schriftgebruik wat de verschillende sociale groepen en instellingen betreft; naar de precieze plaats van een toenemende geletterdheid in de algemene verintellectualisering binnen de Europese samenleving; naar de interne stedelijke verschillen en causale factoren wat de verschillende urbane regio's betreft; en naar de manier waarop de verschriftelijking eventueel zou hebben geleid tot een typisch 'stedelijke' cultuur met eigen registers, conventies en normen, te onderscheiden van andere culturele identiteiten [een aantal van deze vragen vormen het onderwerp van een reeks initiërende sessies op het International Medieval Congress in Leeds, 2007, georganiseerd door M. Mostert, cf. infra]. Voor elk van deze vragen dient nog diepgaand onderzoek voor de afzonderlijke Europese regio's te worden verricht. 4. Onderhavig project heeft als doel een antwoord te formuleren op een aantal van deze problemen, vanuit een comparatieve en inhoudelijke invalshoek, en dit voor de regio tussen Seine en Rijn en toegespitst op de periode van 1100 tot omstreeks 1300, met bijzondere aandacht voor de periode vóór 1250 (cf. infra voor een verantwoording betreffende deze chronologische en geografische afbakening). Het doel bestaat erin (1) een precies beeld te bieden van de evolutie in de manier waarop individuen en groepen met het schrift en met schriftgebruik (met als onderscheiden processen: 'lezen' en 'schrijven') werden geconfronteerd en omgingen, (2) een antwoord te formuleren op de vraag welke aspecten determinerend of stimulerend werkten wat betreft de toename in schriftgebruik, (3) bij dit alles oog te hebben voor de onderlinge verschillen tussen de steden in deze regio alsook voor de mogelijk ruimere geografische verschillen (of parallen) in vergelijking met andere regio's, en (4) genuanceerde hypotheses te formuleren met betrekking tot de vraag wat stedelijke 'geletterdheid' of een 'geletterde mentaliteit' inhouden en hoe deze evolueerden. Vanuit een dergelijke vraagstelling is het noodzakelijk de blik ruimer te richten dan enkel op de chronologie van de productie en bewaring van geschreven bronnen door stedelijke instellingen. Aanwijzigingen dienen te worden gezocht voor de manier (en het moment) waarop de bevolkingsgroep die traditioneel als 'ongeletterd' wordt beschouwd, met name de leken [met oog voor de gedifferentieerde betekenis die aan de term 'ongeletterd' dient te worden gegeven, cf. bijvoorbeeld reeds J.W. Thompson, 1960, en P. Riché, 1962], zich de omgang met het schrift toeëigende, en welke de precieze betekenis en implicaties hiervan waren. Dit houdt bijvoorbeeld in dat sterke aandacht gaat naar indicaties voor vroege vormen van scholing en de manier waarop deze werden georganiseerd en naar de mogelijke conflicten waartoe dit kon leiden [voor Vlaanderen, cf. bijv. H. Pirenne, 1929, M.H. Voordeckers-Declercq, 1963; meer algemeen E. Ennen, 1957; voor Parijs S.C. Ferruolo 1985]. Het impliceert eveneens dat de invloed van clericale instellingen binnen een stedelijke omgeving dient te worden geanalyseerd: als scholen/universiteit die geletterden afleverden die binnen de stedelijke organen konden worden geïntegreerd [Baldwin, 1976], als instellingen die kanselarij-activiteiten op zich namen, als instellingen waarmee burgers in conflict kwamen wat kon leiden tot jarenlang aanslepende procesdossiers die in hoge mate op schriftelijke wijze werden gevoerd [H. Noizet, 2003, eigen onderzoek]. Hierbij moet eveneens, naast de rol van economische ontwikkelingen enerzijds en politiek-juridisch-administratieve veranderingen anderzijds, de impact van uitgesproken culturele of intellectuele centra (in al hun diversiteit) in ogenschouw worden genomen. Ook de invloed van vorstelijke of grafelijke instellingen dient te worden onderkend [J. Trede, 2000]. En tenslotte dient een differentiëring te worden gemaakt wat de omgang met het schrift van de verschillende sociale groepen betreft: kan, bijvoorbeeld, enkel binnen de koopmans- en/of patriciërsfamilies reeds relatief vroeg een specifiek vorm van schriftgebruik worden vastgesteld, of zijn desbetreffend ook indicaties bij bredere bevolkingsgroepen te vinden?
AcroniemFWOTM457
StatusGeëindigd
Effectieve start/einddatum1/10/0430/09/09

Keywords

  • history

Flemish discipline codes

  • Philosophy, ethics and religious studies