Lithische technologie van het finaalpaleolithicum en het vroegmesolithicum in de Kempen. Een onderzoek naar gedragsverandering in de overgang van Pleistoceen naar Holoceen.

  • De Wilde, David, (Mandataris)
  • De Bie, Marc (Administrative Promotor)

Projectdetails

!!Description

Uitgangspunt en vraagstelling De fabricatie en manipulatie van lithische artefacten is een aan sterke regels gebonden proces dat van generatie op generatie wordt aangeleerd en doorgegeven. Of men er bewust mee uitpakt of niet, deze technologische vaardigheid weerspiegelt altijd een culturele traditie. Veranderingen in de technologische basis van prehistorische culturen kwamen in principe maar moeizaam tot stand, meestal als een noodgedwongen of opportunistische aanpassing aan veranderende omstandigheden. In dit project zoeken we een verklaring voor variabiliteit in de lithische technologie van jager-verzamelaar gemeenschappen in de overgang van de laatste ijstijd naar de huidige tussenijstijd (14000 tot 9000 jaar geleden). Het rijk archeologisch archief van finaalpaleolithische en vroegmesolithische sites van de Kempen vormt hiervoor de basis. Dit onderzoek bouwt verder op recente technologische studies van vergelijkbare ensembles uit de aangrenzende valleien van de Maas (De Bie & Caspar 2000) en de Schelde (Perdaen 2004). Onderzoekskader Intensief onderzoek in de Kempen heeft de laatste jaren nieuw licht geworpen op gedragspatronen van laatglaciale en vroegholocene gemeenschappen. De aandacht ging daarbij vooral naar de studie van nederzettingssystemen en landgebruik (De Bie & Van Gils 2006 & in druk). De eerste kolonisten (de Federmessergroepen), die hier tijdens de Alleröd-oscillatie, op het einde van de laatste ijstijd, de regio bevolkten, installeerden er een strak nederzettingspatroon. In grote mate werd dit bij aanvang van het Holoceen verder gezet (of heropgenomen) door de vroege mesolithische groepen. De aantoonbaar sterke voorkeur voor droge zandruggen nabij (voormalig) open water liet toe een groot aantal (nieuwe) archeologische sites van deze periodes op te sporen en de omvang en rijkdom ervan in kaart te brengen. Enkele bedreigde sites werden ook op grote schaal opgegraven. Dit leverde de laatste jaren heel wat nieuw bronnenmateriaal op. Grondige analyse van de materiële cultuur bleef voorlopig evenwel beperkt tot een deel van één site die reeds vroeger werd opgegraven (Meer-Meirberg; Van Noten 1978). Intersite vergelijkingen tussen ensembles van de betrokken tradities bevinden zich nog in een primair stadium (De Bie 1999). Intussen hebben bovenstaande studies van de valleisites, en doorgedreven onderzoek op de loessgronden (vooral door de Franse school; Valentin 1995, Ducrocq 2001), in aangrenzende regio's heel wat inzichten opgeleverd in de regionale en chronologische variabiliteit van de finaalpaleolithische en vroegmesolithische industrieën. Het inzetten van de daar ontwikkelde sleutels moet toelaten ook op de meer noordelijke zandgronden van de Kempen op zoek te gaan naar diagnostische technologische kenmerken en deze te spiegelen aan de klassieke typologische evolutie van de werktuigen bij deze culturen. Omwille van recurrente problemen van stratigrafische en chronologische controle (door beperkte sedimentatie en posterieure bodemprocessen zijn de materiële resten van de opeenvolgende occupaties op het terrein vaak nauwelijks gescheiden), is deze zoektocht hoe dan ook pertinent. De belangrijkste vraag is evenwel wat de diverse technologieën precies leren over het gedrag van toenmalige gemeenschappen. Binnen dit project willen we verschillende factoren bekijken die van invloed kunnen zijn geweest.
AcroniemFWOTM489
StatusGeëindigd
Effectieve start/einddatum1/10/0831/12/12

Flemish discipline codes

  • History and archaeology
  • Arts