Socio-economische ongelijkheid in sterfte aan het begin van de 21ste eeuw: reproductie van ongelijkheden, sociale mobiliteit en levenscycluseffecten.

Projectdetails

!!Description

Onderzoekskader en probleemstelling In het begin van de 21ste eeuw bedraagt de levensverwachting in België 75,6 jaar voor mannen en 81,7 jaar voor vrouwen. Deze gemiddelde waarden verbergen aanzienlijke verschillen tussen bevolkingsgroepen. In het kader van mijn doctoraatsonderzoek werd aangetoond dat er in het begin van de jaren negentig duidelijke sterfteverschillen bestaan in ons land in functie van socio-economische kenmerken (opleiding, beroep en welvaartsniveau). Voor België was dit de eerste keer dat een onomstootbare en gekwantificeerde studie voorgelegd kon worden die aantoonde dat er ook in de moderne welvaartsstaat met een sterk uitgebouwd sociaal zekerheidssysteem een grote ongelijkheid in sterfte blijft bestaan ten nadele van de lagere sociale klassen. Ons onderzoek op het vlak van differentiële mortaliteit heeft er voor gezorgd dat België voortaan geen blinde vlek meer vormt in het internationaal onderzoek naar sociale sterfteverschillen. Sociale ongelijkheid in sterfte is de afgelopen jaren terug sterk op de voorgrond getreden omdat het duidelijk werd dat de grote en persistente ongelijkheid in gezondheid en sterfte veeleer sociale dan wel medische grondslagen heeft. In dit opzicht stellen zich een aantal cruciale vragen die het onderwerp uitmaken van heel wat internationaal onderzoek. Veel van die vragen hebben betrekking op de mechanismen of oorzaken achter sociale sterfteverschillen. Een andere belangrijke onderzoekspiste is de impact van sociale herkomst en sociale mobiliteit op individuele sterftekansen. Het onderzoek op dit gebied wordt momenteel sterk bepaald door een beperkt aantal landen die gebruik kunnen maken van uitzonderlijke administratieve databanken (met name de Scandinavische landen) of van grote surveys (de VS en het VK). Voor het eerst beschikken we in België over een databank die een cruciale bijdrage kan leveren tot dit onderzoek. De specifieke kenmerken van onze sociale zekerheid en ons gezondheidsstelsel leveren contrastelementen op die een ander licht kunnen werpen op gegevens die nu vaak enkel geplaatst kunnen worden in de context van de Angelsaksische of Scandinavische systemen. De aanwezigheid van twee grote culturele gemeenschappen in ons land biedt bovendien een interessante bijkomende invalshoek voor vergelijkend onderzoek dat behulpzaam kan zijn in het zoeken naar tussenkomende mechanismen. Tenslotte is dit onderzoek direct beleidsrelevant voor het gezondheids- en welzijnsbeleid in ons land. Een eerste vraag die internationaal nog tot veel controverse aanleiding geeft is of de ongelijkheid in sterfte en gezondheid nog verder toeneemt, dan wel afneemt. Deze vraag is pertinent niet alleen omwille van haar sociale relevantie (de Europese Gemeenschap heeft in Lissabon een programma aangenomen dat ongelijkheid in Europa wil terugdringen), maar ook om te komen tot een beter inzicht in het fenomeen van sociale ongelijkheid in sterfte. De nieuwe longitudinale gegevens waar we over beschikken laten voor het eerst toe deze vragen voor ons land te beantwoorden. Vanuit deze beschrijvende analyse kunnen we twee belangrijke onderzoekspistes verder uitdiepen wat de toekomstige evolutie betreft en de mogelijke overheidsinterventies. De eerste betreft de reproductie van sociale ongelijkheid in sterfte en, hiermee verbonden, de reproductie van ongelijkheid in gezondheid. De data laten toe om de socio-economische positie van de ouders in rekening te brengen en na te gaan of en hoe de ouderlijke status een effect uitoefent op de individuele sterftekansen. Verder kunnen we ook nagaan wat de impact is van intergenerationele mobiliteit. Bij intergenerationele mobiliteit vergelijken we de persoonlijke socio-economische positie met de ouderlijke socio-economische positie en gaan we de effecten na van positieve (of opwaartse) dan wel negatieve (of neerwaartse) mobiliteit op de individuele sterftekansen. De tweede piste richt zich op de levenscyclus als een proces van cumulatieve kansen en risico's en op de evolutie van en de wisselwerking tussen sociale status en gezondheid. Naast intergenerationele mobiliteit is intragenerationele mobiliteit tijdens de eigen, individuele levensloop wellicht een belangrijk onderdeel in het proces van differentiatie. Internationaal onderzoek maakt meestal gebruik van de huidige socio-economische positie, zonder rekening te houden met veranderingen hierin. Het effect van sociale mobiliteit op gezondheid is bijgevolg nog niet vaak in kaart gebracht. In de nieuwe databank kunnen veranderingen van beroepsklasse, type huisvesting en zelfs burgerlijke staat getraceerd worden en kan nagegaan worden welke invloed dergelijke veranderingen hebben op de levenskansen van mannen en vrouwen. Omdat differentiële sterfte veelal bestudeerd wordt in functie van actuele kenmerken, is de onderzoekspopulatie ook meestal beperkt tot personen van middelbare leeftijd voor wie de sociale positie relatief gemakkelijk bepaald kan worden. Jongere en oudere bevolkingsgroepen worden zelden in onderzoek opgenomen. Zodoende wordt geen beeld verkregen van eventuele levensloopeffecten van socio-economische kenmerken op sterfte. Het opmeten in de nieuwe databank van de socio-economische positie tijdens twee meetpunten met een interval van 10 jaar laat toe de onderzoeksbevolking zowel naar oudere leeftijd als naar jongere leeftijd uit te breiden. Voor de oudere gepensioneerde bevolking kunnen we differentiële sterfte bovendien beter in kaart te brengen omdat naast informatie over hun opleiding en huisvesting, ook data over hun laatste beroep beschikbaar zijn. Ook in dit opzicht vult het onderzoeksproject een belangrijke leemte in internationaal onderzoek op, vooral in het licht van de hoge sterfte op hoge leeftijd.
AcroniemFWOTM437
StatusGeëindigd
Effectieve start/einddatum1/10/0730/09/15

Flemish discipline codes

  • Sociology and anthropology