Twee eeuwen privé-liefdadigheid in Antwerpen: een studie over gulle gevers en hun leefwereld, 1598-1795.

Projectdetails

!!Description

Het onderzoek betreffende de armenzorg in het vroegmoderne Europa is tot nu toe hoofdzakelijk gericht geweest op de .ontvangers., dus op de verschillende categorieën van ondersteunden, terwijl aan de .gevers., dus aan de personen die geld of goederen schonken aan armen/behoeftigen of aan liefdadige/filantropische instellingen, veel minder aandacht werd besteed (Lis, Soly & Van Damme, Jütte, von Hippel, e.a.). In het licht van de hervormingen van de sociale politiek in de zestiende en zeventiende eeuw is de belangstelling voor het uitgavenbeleid van de openbare instellingen belast met de armenzorg begrijpelijk, maar te eenzijdig. Private schenkingen vormden voor de betrokken instanties immers een cruciale bron van inkomsten en bleven dat tot in de achttiende eeuw doen. De bestudering van het 'geefgedrag' van particuliere schenkers vormt dan ook het opzet van dit project.

Er zijn de laatste jaren weliswaar een aantal interessante studies over liefdadigheid/filantropie in het premoderne Europa verschenen, maar deze buitenlandse onderzoekingen staan het nog lang niet toe om algemene conclusies te formuleren. Dat hangt zowel samen met de complexiteit van de problematiek, als met de beperkingen die het bronnenmateriaal doorgaans oplegt. Caritatieve acties, en de motieven daartoe, staan niet los van de maatschappelijke context waarin ze een specifieke vorm krijgen. De impact van sociaal-economische, politieke, cultureel-ideologische factoren op de inkomsten uit liefdadigheid, en de veranderingen die daarin optraden, dient te worden bevraagd met de nodige terughoudendheid ten aanzien van monocausale verklaringen. Een genuanceerde aanpak ligt echter niet voor de hand. Zelden is het mogelijk om voor een lange periode gegevens bijeen te brengen die licht werpen op lange-termijn trends, op korte-termijn fluctuaties (impact feestdagen, crissisen etc.) , op anonieme giften (offerblokken), op min of meer zichtbare giften (zondagomhalingen in kerken), op testamentaire en andere schenkingen, enzovoort.

Vandaar dit project. Met name de sociaal-economische, politieke en vooral cultureel-ideologische veranderingen die in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw in Antwerpen optraden, maken dat een onderzoek naar de privé-liefdadigheid in de Scheldestad het toestaat om de determinanten van het 'geefgedrag' te bepalen. Ook na de zestiende-eeuwse bloeiperiode waren in Antwerpen nog elites . en dus mogelijke rijke gevers . aanwezig, met aanzienlijke fortuinen die tot in de achttiende eeuw niet moesten onderdoen voor deze in andere Europese middelgrote tot grote steden (Degryse). Tegelijk was de stedelijke maatschappij er aan een aantal spanningen onderhevig. Het is de vraag hoe wijzigende economische, demografische, sociale en cultureel-ideologische patronen zich op het gebied van liefdadigheid/filantropie vertaalden.

Maar bovenal hebben de vragen die aan de grondslag liggen van dit project, te maken met hoe de liefdadige gift, in een gegeven materiële en religieuze context context, in verband staat met de heersende ideeën en beeldvorming over bezit, gemeenschap, en godsvrucht (cf. Rubin). Twee invalshoeken m.b.t. de cultureel-ideologische dynamiek van de liefdadige gift dienen onder de aandacht gebracht te worden. Antwerpen was, zeker tijdens het tweede kwart van de zeventiende eeuw, een bolwerk van de Contra-Reformatie in de Spaanse Nederlanden. Als eerste invalshoek kan een mentaliteitshistorische studie met betrekking tot de factor .religiositeit. in relatie tot caritas dus niet ontbreken. In het verlengde van mijn licentiaatsverhandeling over de beeldvorming over geld in diverse .populaire. teksten, is het de bedoeling de gedenkschriften en de testamentaire beschikkingen van schenkers, te toetsen aan het ideologische discours van preekboeken, moraliserende geschriften, enzovoort. De centrale vraag in dit verband is hoe de Antwerpse privé-liefdadigheid naar de achttiende eeuw toe evolueerde (kwantitatief), in het bijzonder of het langzame proces van dechristianisering seculiere liefdadige tendenzen impliceerde (kwalitatief).

Via een tweede invalshoek kunnen we anticiperen op de kritiek van historici die de auteurs van bestaande studies over liefdadigheid/filantropie verwijten louter een .structurele. ideeëngeschiedenis te bieden, zonder de concrete individuele motivaties in rekening te brengen (cf. Cavallo). De spirituele verankering van liefdadigheid op zichzelf kan niet verklaren waarom, en aan wie, leden van bepaalde elites en sociale middengroepen schenkingen deden. Is het mogelijk de liefdadige intenties te verfijnen tot op het niveau van de verhoudingen binnen de milieu.s van die bewoners van Antwerpen die aan liefdadigheid deden? De honderden bewaard gebleven testamenten van de .gevers., aangevuld met verdere biografische gegevens over de betrokkenen, kunnen ons zeker op weg helpen hierop een antwoord te geven. Deze meer sociologische benadering sluit aan bij theoretische studies over sociale cohesie en giften in het verleden (Komter, Davis, e.a.).

Naast de waarde van de Antwerpse situatie als complexe gevalsstudie ligt de beschikbaarheid van een unieke reeks bronnen aan de basis van dit project. In Antwerpen was de armenzorg in grote mate gecentraliseerd onder de Kamer der Huisarmen. In het OCMW-archief van Antwerpen beschikt men daardoor over een uitzonderlijk rijke verzameling bronnen voor de bestudering van de privé- liefdadigheid, die tot nu toe nauwelijks benut werd. De inkomsten- en memorieboeken van de aalmoezeniers geven voor de zeventiende en achttiende eeuw bijna onafgebroken de diverse vormen van liefdadige schenkingen weer, en staan het ons toe om via de kwantitatieve verwerking van de gegevens, voor een lange periode een beeld te vormen van de inkomsten uit liefdadigheid. Dit buitengewoon rijke archieffonds bevat immers niet alleen een groot aantal originele testamenten, maar ook continue reeksen, waarin per .geefkanaal. ( collectes, offerblokken, ...) systematisch werd opgetekend wat de wekelijkse opbrengsten waren. Dit unieke bronnenmateriaal is tot nog alleen maar voor de late zestiende en vroege zeventiende eeuw aangeboord (Haemers, Soly). Afbakeningen zijn arbitrair. Toch kan voor de verwerking van de kwantitatieve gegevens 1598 als startjaar dienen, het moment waarop met de komst van de aartshertogen, en een weinig later het Twaalfjarig Bestand, een relatieve rust kon bijdragen om de motor van de Contra-Reformatie in de zuidelijke Nederlanden op een hoog toerental te laten draaien. Eind achttiende eeuw lijkt de komst van de Fransen in 1795 een verantwoorde einddatum. De armenzorg kreeg toen een .burgerlijk. in plaats van een .religieus. karakter, met de installatie van een "Bureel van Weldadigheid" en de "Commissie van Burgerlijke Godshuizen".

Tot slot vermelden we nog de recente aanzetten om de inzichten in de problematiek van liefdadigheid/filantropie voor comparatief onderzoek te gebruiken. Niet enkel de vergelijking van de liefdadige tradities in verschillende landen en periodes, maar ook het comparatief onderzoek naar de caritas in de grote monotheïstische godsdiensten wordt bepleit (cf. Cohen). Wij hopen met dit project, voor wat onze gewesten betreft, een eerste bijdrage te kunnen leveren, die dank zij de uitzonderlijke mogelijkheden die het bronnenmateriaal biedt, een veel meer dan lokale betekenis zou hebben.
AcroniemFWOTM424
StatusGeëindigd
Effectieve start/einddatum1/10/0731/08/13

Flemish discipline codes

  • Philosophy, ethics and religious studies

Keywords

  • history