Samenvatting
Festival van Vlaanderen Mechelen: de kracht van volksliederen
De 'Liedertafeln'
Het ensemble Amarcord, bestaande uit enkel mannenstemmen, gaat ten dele terug op de Duitse traditie van de zogenaamde 'Liedertafeln'. De naam van deze zangverenigingen met uitsluitend mannnen verwijst naar de tafel met eten en drinken waarrond ze zaten. Ze koppelden dan ook het culturele aan het aangename. De Liedertafeln ontstonden in het begin van de 19de eeuw in Noord-Duitsland (Berlijn) en werden al snel populair in heel Duitsland. Nadien breidde het fenomeen zich ook uit naar buurlanden zoals Nederland, Zwitserland, België, Tsjechië en zelfs tot in Noord-Amerika in steden waar zich veel Duitse immigranten hadden gevestigd. Vaak waren de bijeenkomsten ideologisch gekleurd en nationalistisch en patriottisch van aard. Het zingen van eigen volksliederen vormden dan ook een vast onderdeel. Vaak arrangeerden of componeerden componisten ze voor hen. De liederen die Amarcord deze avond brengt van Max Reger, Richard Strauss en Leos Janaçek zijn voor zulke Liedertafeln geschreven. Zelfs het Chanson à boire van Poulenc werd voor zo'n Noord-Amerikaans 'Liedertafel' geschreven, de Harvard's Glee Club. Ook qua karakter sluit het door de pakkende energie, het erg ritmisch karakter en de patriottistische inslag aan bij die Duitse traditie.
Hoewel de aandacht voor het volkslied een typisch 19de eeuws fenomeen is met componisten als Reger en Janaçek en in de 20ste eeuw nog voortgezet werd door Strauss, zijn er ook hedendaagse componisten,zoals Marcus Ludwig, voor wie het volkslied een belangrijke inspiratiebron is. Terwijl de interesse in de 19de eeuw eerder nationalistisch gekleurd was, apprecieert men in de hedendaagse tijd de intrinsieke eigenschappen van een collectieve kunst die in staat is om te beroeren en te vertellen en die op die manier als een soort van katalysator een nieuwe stijl ontwikkelt.
Richard Strauss - Vor den Türen, Traumlich en Fröhlich im Maien uit Drei Männerchöre (1935)
Hoewel Richard Strauss vooral bekend is voor orkestmuziek en opera's, lopen zijn koor en vokale werken toch als een belangrijke rode draad doorheen zijn hele leven en oeuvre. Strauss componeerde zijn Drei Männerchore in 1935, politiek een zeer moeilijke tijd voor hem. In 1933 had Richard Strauss, een beetje naïef (tijdens het nazi-regime onder Hitler) het voorzitterschap van de Reichsmusikkamer op zich genomen. Twee jaar later kwam hij in opspraak omdat hij met de Joodse dichter als librettist, Stefan Zweig, een nieuwe opera had gerealiseerd. In de zomer van 1935 trad hij dan ook af als voorzitter. In dat jaar greep hij dan ook terug naar zijn oude liefde en schreef enkel vocale muziek: twee koorwerken en één lied.
Het lied Vor der Türen geeft de metafysische levensreis weer van een man, van bij de eerste aanvang van het streven naar liefde en rijkdom tot aan de laatste rustplaats in het graf.
Traumlich schildert een bijna impressionistische visie van licht en droom, bijna een gebed voor rust in een choraalachtige stijl.
Het strofische lied, Frölich im Maien, verrast door ongewone harmonische wendingen en roept iedereen op om vrolijk te dansen tijdens de meimaand: "Tanzet zu zweien. Unter Schalmeien. Tanzet am Reihen. Frölich im Maien".
Max Reger
Ich ging durch einen grasgrünen Wald uit Neun ausgewählte Volkslieder (1899)
Lieblich hat sich gesellet uit Zehn Gesänge opus 83 nr. 2 (1904)
Verlorenes Lieb' uit Neun ausgewählte Volkslieder (1899)
Das Lieben bringt groß' Freud' Neun ausgewählte Volkslieder (1899)
Ich hab' die Nacht geträumet uit Fünf ausgewählte Volkslieder (?)
Liebchens Bote uit Fünf ausgewählte Volkslieder (?)
Reger componeerde deze volksliederen toen hij in München woonde. Hij is een overgangsfiguur, enerzijds zette hij de lijn voort van Brahms - wat duidelijk te horen is in deze liederen- en anderzijds bereidde hij de moderne muziek voor. Men plaatst hem soms tussen Brahms en Schönberg in.
Leo? Janá?ek - ?tve?ice mu?ských sbor? (1886)
(in vertaling van Max Brod)
Drohung
O Liebe!
Ach, Krieg, Krieg!
Deine schönen Augen
Ook de Tsechische componist Janaçek lag de volksmuziek nauw aan het hart. Net als Dvorak en Smetana heeft hij sterk bijgedragen tot de ontwikkeling van de Tsjechische nationale muziek.
Als kind zong Janaçek reeds vele volksliederen als lid van verschillende koren, onder meer in het Sint-Thomaskoor in Leipzig in de jaren 1879/80, waar ook de leden van het Amarcord ensemble zijn gevormd.
In zijn volksliederen streeft Janaçek heel duidelijk naar een duidelijke en getrouwe woord-toon verhouding. Later heeft hij in zijn tractaat 'Theorie des Sprachmelodie' aangetoond dat het karakter van de melodie (die van hem en die van zijn Tsjechische colega's) nauw samenhangt met de intonatie en het ritme van de Tsjechische spreektaal.
Deze volksliederen componeerde Janaçek oorspronkelijk voor een koor uit Brno, maar ze werden later vertaald door Max Brod. Hierdoor raakten ze bekend in het Duitstalig muziekleven.
Marcus Ludwig - Sechs Triviallieder von 1916 'Soldatenlieder' (2001)
Stand ich auf nächtlich' grüner Heide
Rieke näht auf die Maschine
Ich liebte einst ein Mädchen
Ich hab' meinen Leutnant so lieb gehabt
Feldpost
Mordgeschichte
De jonge Duitse componist Marcus Ludwig (°1960) componeerde deze zes soldatenliederen over 'liefde en dood tijdens de veldslag' speciaal voor het Amarcord Ensemble. Net als de leden van Amarcord kreeg Ludwig zijn muzikale opleiding in het koor van de Sankt-Stephansdom in Leipzig, de plek waar Johann Sebastian Bach ooit kapelmeester was.
Marcus Ludwig was op zoek naar volksliederen uit het begin van de 20ste eeuw. Maar hij kwam al snel tot de ontdekking dat die volkskunst was verdwenen door de industrialisering. "Het volkslied verstomde in Duitsland" schreef hij. Daarom hoopte hij om in soldatenliederen uit de Eerste Wereldoorlog aspecten van die volkskunst terug te vinden. Hij was op zoek naar een collectieve traditie, naar een vermogen om te beroeren en te vertellen en naar een naïeve pathos, elementen die hij miste in het Expressionisme uit het begin van de 20ste eeuw. Tot zijn verbazing vond hij in geen enkele boekhandel anthologieën met soldatenliederen. Hij heeft enkel teksten van soldatenliederen gevonden dankzij een filologisch onderzoeksproject rond 'Krieg und Sprache' van de Oost-Duitse universiteit van Giessen. Die heeft hij dan op muziek gezet met een moderne volksliedstijl in zijn achterhoofd: een eenvoudige metriek en ritmiek gecombineerd met een erg zingbare melodie.
Francis Poulenc - La belle si nous étions en Clic, clac, dansez sabots uit Huit chansons françaises (1945/46), Chanson à boire (1922)
De Franse componist Francis Poulenc (1899-1963) had twee gezichten : die van een monnik en die van een kwajongen, zoals hij zichzelf ooit karakteriseerde. In zijn muziek klonk vaak de straat, het circus en de music-hall mee. Dit resulteerde in grappige muziek die soms zelfs een beetje vulgair was maar ook elegant en sensueel. Vanaf het midden van de jaren dertig bleek Poulenc plotseling een veel ernstigere componist te zijn, dan vele hadden verwacht. De dreiging van de Tweede Wereldoorlog viel samen met een grote persoonlijke crisis die veroorzaakt werd door de plotse en gruwelijke dood (hij werd onthoofd tijdens een auto-ongeval) van zijn levenspartner Pierre-Octave Ferroud in 1936. Poulenc trok op bedevaart naar het heiligdom van de Zwarte Madonna in Rocamadour, waar hij een mystieke ervaring had en zijn eerder afgezworen katholieke geloof hervond.
De koormuziek neemt een bijzondere plaats in, in het oeuvre van Poulenc: "Ik denk" zo vertrouwde hij ooit een journaliste toe "dat ik in de koormuziek het beste en het meest authentieke van mezelf heb gelegd. Zelfs in de profane koorwerken."
Aan het Chanson à boire (1922) hechtte Poulenc veel waarde omdat het de kiem bevatte van zijn latere sublieme koortechniek. Hij schreef de muziek op een 17de eeuwse anoniem gedicht. Het is een typisch drinklied dat aan het einde van de maaltijd gezongen werd om het gelag aan te zetten tot drinken. In zijn typische pioniersstijl uit het begin van de jaren twintig, schreef hij aan Darius Milhaud, één van de andere leden van Les Six: "Mijn nieuw werkje voor koor is echt "gaga violent" met eenvoudige akkoorden en heel ritmisch" Poulenc schreef het werkje voor de Harvard's Glee Club, het oudste Amerikaanse College Choire (gesticht in 1858), met wie hij kennis maakte in 1921 tijdens hun eerste Europese tournee. Merkwaardig genoeg heeft het koor het lied nooit gezongen. "De Glee Club van Harvard " zo schreef Milhaud hem in 1926 vanuit Amerika " heeft nooit je "chanson à boire" gezongen. Wegens het verbod op alcohol verbruik zou het een ongelooflijk schandaal hebben veroorzaakt indien zo'n 'respectabel instituut' als de Harvard Glee Club een echt drinklied zou brengen." Poulenc hoorde zijn Chanson à boire pas voor de eerste keer in 1950, in Nederland toen het werd uitgevoerd in Den Haag.
Net zoals zijn Chanson à boire vatte Poulenc ook de twee liederen voor mannenkoor, La belle si nous étions en Clic, clac, dansez sabots uit zijn Huit Chansons françaises (1945-1946) erg ritmisch op. Er gaat een pakkende energie van uit, die erg 'down to earth' aanvoelt. Clic, clac, dansez sabots is eigenlijk een klompendans. Het zijn oude anonieme Franse volksliederen die hij op een eenvoudige wijze maar toch vrij harmoniseerde. Hij behield de melodie, de typische modale ritmiek en de refreinstructuur van de originele volksliederen. De akkoorden die hij eronder plaatste, doen vooral in Clic, clac, dansez sabots erg archaïsch aan. Waarschijnlijk greep Poulenc op het einde van de Tweede wereldoorlog naar deze volskliederen uit een soort van patriottische reactie. De teksten verraden geen dubbele bodem maar gaan gewoon over meisjes versieren, dansen en zingen. Vermoedelijk was het een bestelling van Henri Screpel, een vooraanstaande Franse platenbaas, aan wie hij de liederen op droeg.
De 'Liedertafeln'
Het ensemble Amarcord, bestaande uit enkel mannenstemmen, gaat ten dele terug op de Duitse traditie van de zogenaamde 'Liedertafeln'. De naam van deze zangverenigingen met uitsluitend mannnen verwijst naar de tafel met eten en drinken waarrond ze zaten. Ze koppelden dan ook het culturele aan het aangename. De Liedertafeln ontstonden in het begin van de 19de eeuw in Noord-Duitsland (Berlijn) en werden al snel populair in heel Duitsland. Nadien breidde het fenomeen zich ook uit naar buurlanden zoals Nederland, Zwitserland, België, Tsjechië en zelfs tot in Noord-Amerika in steden waar zich veel Duitse immigranten hadden gevestigd. Vaak waren de bijeenkomsten ideologisch gekleurd en nationalistisch en patriottisch van aard. Het zingen van eigen volksliederen vormden dan ook een vast onderdeel. Vaak arrangeerden of componeerden componisten ze voor hen. De liederen die Amarcord deze avond brengt van Max Reger, Richard Strauss en Leos Janaçek zijn voor zulke Liedertafeln geschreven. Zelfs het Chanson à boire van Poulenc werd voor zo'n Noord-Amerikaans 'Liedertafel' geschreven, de Harvard's Glee Club. Ook qua karakter sluit het door de pakkende energie, het erg ritmisch karakter en de patriottistische inslag aan bij die Duitse traditie.
Hoewel de aandacht voor het volkslied een typisch 19de eeuws fenomeen is met componisten als Reger en Janaçek en in de 20ste eeuw nog voortgezet werd door Strauss, zijn er ook hedendaagse componisten,zoals Marcus Ludwig, voor wie het volkslied een belangrijke inspiratiebron is. Terwijl de interesse in de 19de eeuw eerder nationalistisch gekleurd was, apprecieert men in de hedendaagse tijd de intrinsieke eigenschappen van een collectieve kunst die in staat is om te beroeren en te vertellen en die op die manier als een soort van katalysator een nieuwe stijl ontwikkelt.
Richard Strauss - Vor den Türen, Traumlich en Fröhlich im Maien uit Drei Männerchöre (1935)
Hoewel Richard Strauss vooral bekend is voor orkestmuziek en opera's, lopen zijn koor en vokale werken toch als een belangrijke rode draad doorheen zijn hele leven en oeuvre. Strauss componeerde zijn Drei Männerchore in 1935, politiek een zeer moeilijke tijd voor hem. In 1933 had Richard Strauss, een beetje naïef (tijdens het nazi-regime onder Hitler) het voorzitterschap van de Reichsmusikkamer op zich genomen. Twee jaar later kwam hij in opspraak omdat hij met de Joodse dichter als librettist, Stefan Zweig, een nieuwe opera had gerealiseerd. In de zomer van 1935 trad hij dan ook af als voorzitter. In dat jaar greep hij dan ook terug naar zijn oude liefde en schreef enkel vocale muziek: twee koorwerken en één lied.
Het lied Vor der Türen geeft de metafysische levensreis weer van een man, van bij de eerste aanvang van het streven naar liefde en rijkdom tot aan de laatste rustplaats in het graf.
Traumlich schildert een bijna impressionistische visie van licht en droom, bijna een gebed voor rust in een choraalachtige stijl.
Het strofische lied, Frölich im Maien, verrast door ongewone harmonische wendingen en roept iedereen op om vrolijk te dansen tijdens de meimaand: "Tanzet zu zweien. Unter Schalmeien. Tanzet am Reihen. Frölich im Maien".
Max Reger
Ich ging durch einen grasgrünen Wald uit Neun ausgewählte Volkslieder (1899)
Lieblich hat sich gesellet uit Zehn Gesänge opus 83 nr. 2 (1904)
Verlorenes Lieb' uit Neun ausgewählte Volkslieder (1899)
Das Lieben bringt groß' Freud' Neun ausgewählte Volkslieder (1899)
Ich hab' die Nacht geträumet uit Fünf ausgewählte Volkslieder (?)
Liebchens Bote uit Fünf ausgewählte Volkslieder (?)
Reger componeerde deze volksliederen toen hij in München woonde. Hij is een overgangsfiguur, enerzijds zette hij de lijn voort van Brahms - wat duidelijk te horen is in deze liederen- en anderzijds bereidde hij de moderne muziek voor. Men plaatst hem soms tussen Brahms en Schönberg in.
Leo? Janá?ek - ?tve?ice mu?ských sbor? (1886)
(in vertaling van Max Brod)
Drohung
O Liebe!
Ach, Krieg, Krieg!
Deine schönen Augen
Ook de Tsechische componist Janaçek lag de volksmuziek nauw aan het hart. Net als Dvorak en Smetana heeft hij sterk bijgedragen tot de ontwikkeling van de Tsjechische nationale muziek.
Als kind zong Janaçek reeds vele volksliederen als lid van verschillende koren, onder meer in het Sint-Thomaskoor in Leipzig in de jaren 1879/80, waar ook de leden van het Amarcord ensemble zijn gevormd.
In zijn volksliederen streeft Janaçek heel duidelijk naar een duidelijke en getrouwe woord-toon verhouding. Later heeft hij in zijn tractaat 'Theorie des Sprachmelodie' aangetoond dat het karakter van de melodie (die van hem en die van zijn Tsjechische colega's) nauw samenhangt met de intonatie en het ritme van de Tsjechische spreektaal.
Deze volksliederen componeerde Janaçek oorspronkelijk voor een koor uit Brno, maar ze werden later vertaald door Max Brod. Hierdoor raakten ze bekend in het Duitstalig muziekleven.
Marcus Ludwig - Sechs Triviallieder von 1916 'Soldatenlieder' (2001)
Stand ich auf nächtlich' grüner Heide
Rieke näht auf die Maschine
Ich liebte einst ein Mädchen
Ich hab' meinen Leutnant so lieb gehabt
Feldpost
Mordgeschichte
De jonge Duitse componist Marcus Ludwig (°1960) componeerde deze zes soldatenliederen over 'liefde en dood tijdens de veldslag' speciaal voor het Amarcord Ensemble. Net als de leden van Amarcord kreeg Ludwig zijn muzikale opleiding in het koor van de Sankt-Stephansdom in Leipzig, de plek waar Johann Sebastian Bach ooit kapelmeester was.
Marcus Ludwig was op zoek naar volksliederen uit het begin van de 20ste eeuw. Maar hij kwam al snel tot de ontdekking dat die volkskunst was verdwenen door de industrialisering. "Het volkslied verstomde in Duitsland" schreef hij. Daarom hoopte hij om in soldatenliederen uit de Eerste Wereldoorlog aspecten van die volkskunst terug te vinden. Hij was op zoek naar een collectieve traditie, naar een vermogen om te beroeren en te vertellen en naar een naïeve pathos, elementen die hij miste in het Expressionisme uit het begin van de 20ste eeuw. Tot zijn verbazing vond hij in geen enkele boekhandel anthologieën met soldatenliederen. Hij heeft enkel teksten van soldatenliederen gevonden dankzij een filologisch onderzoeksproject rond 'Krieg und Sprache' van de Oost-Duitse universiteit van Giessen. Die heeft hij dan op muziek gezet met een moderne volksliedstijl in zijn achterhoofd: een eenvoudige metriek en ritmiek gecombineerd met een erg zingbare melodie.
Francis Poulenc - La belle si nous étions en Clic, clac, dansez sabots uit Huit chansons françaises (1945/46), Chanson à boire (1922)
De Franse componist Francis Poulenc (1899-1963) had twee gezichten : die van een monnik en die van een kwajongen, zoals hij zichzelf ooit karakteriseerde. In zijn muziek klonk vaak de straat, het circus en de music-hall mee. Dit resulteerde in grappige muziek die soms zelfs een beetje vulgair was maar ook elegant en sensueel. Vanaf het midden van de jaren dertig bleek Poulenc plotseling een veel ernstigere componist te zijn, dan vele hadden verwacht. De dreiging van de Tweede Wereldoorlog viel samen met een grote persoonlijke crisis die veroorzaakt werd door de plotse en gruwelijke dood (hij werd onthoofd tijdens een auto-ongeval) van zijn levenspartner Pierre-Octave Ferroud in 1936. Poulenc trok op bedevaart naar het heiligdom van de Zwarte Madonna in Rocamadour, waar hij een mystieke ervaring had en zijn eerder afgezworen katholieke geloof hervond.
De koormuziek neemt een bijzondere plaats in, in het oeuvre van Poulenc: "Ik denk" zo vertrouwde hij ooit een journaliste toe "dat ik in de koormuziek het beste en het meest authentieke van mezelf heb gelegd. Zelfs in de profane koorwerken."
Aan het Chanson à boire (1922) hechtte Poulenc veel waarde omdat het de kiem bevatte van zijn latere sublieme koortechniek. Hij schreef de muziek op een 17de eeuwse anoniem gedicht. Het is een typisch drinklied dat aan het einde van de maaltijd gezongen werd om het gelag aan te zetten tot drinken. In zijn typische pioniersstijl uit het begin van de jaren twintig, schreef hij aan Darius Milhaud, één van de andere leden van Les Six: "Mijn nieuw werkje voor koor is echt "gaga violent" met eenvoudige akkoorden en heel ritmisch" Poulenc schreef het werkje voor de Harvard's Glee Club, het oudste Amerikaanse College Choire (gesticht in 1858), met wie hij kennis maakte in 1921 tijdens hun eerste Europese tournee. Merkwaardig genoeg heeft het koor het lied nooit gezongen. "De Glee Club van Harvard " zo schreef Milhaud hem in 1926 vanuit Amerika " heeft nooit je "chanson à boire" gezongen. Wegens het verbod op alcohol verbruik zou het een ongelooflijk schandaal hebben veroorzaakt indien zo'n 'respectabel instituut' als de Harvard Glee Club een echt drinklied zou brengen." Poulenc hoorde zijn Chanson à boire pas voor de eerste keer in 1950, in Nederland toen het werd uitgevoerd in Den Haag.
Net zoals zijn Chanson à boire vatte Poulenc ook de twee liederen voor mannenkoor, La belle si nous étions en Clic, clac, dansez sabots uit zijn Huit Chansons françaises (1945-1946) erg ritmisch op. Er gaat een pakkende energie van uit, die erg 'down to earth' aanvoelt. Clic, clac, dansez sabots is eigenlijk een klompendans. Het zijn oude anonieme Franse volksliederen die hij op een eenvoudige wijze maar toch vrij harmoniseerde. Hij behield de melodie, de typische modale ritmiek en de refreinstructuur van de originele volksliederen. De akkoorden die hij eronder plaatste, doen vooral in Clic, clac, dansez sabots erg archaïsch aan. Waarschijnlijk greep Poulenc op het einde van de Tweede wereldoorlog naar deze volskliederen uit een soort van patriottische reactie. De teksten verraden geen dubbele bodem maar gaan gewoon over meisjes versieren, dansen en zingen. Vermoedelijk was het een bestelling van Henri Screpel, een vooraanstaande Franse platenbaas, aan wie hij de liederen op droeg.
| Originele taal-2 | Dutch |
|---|---|
| Specialist publicatie | Festival van vlaanderen Mechelen programmboek |
| Status | Published - 27 apr. 2010 |
Bibliografische nota
Festival van Vlaanderen MechelenCiteer dit
- APA
- Author
- BIBTEX
- Harvard
- Standard
- RIS
- Vancouver