'Alternatieve mainstream: een cultuursociologisch onderzoek naar selectielogica's in het Vlaamse popcircuit.'

  • Gert Keunen ((PhD) Student)
  • Rudi Laermans (Promotor)
  • Katia Segers (Jury)

Scriptie/masterproef: Doctoral Thesis

Uittreksel

Dit doctoraatsonderzoek werpt een cultuursociologische blik op de werking van het popmuziekcircuit. Via een kwalitatief onderzoek ga ik na hoe in de poppraktijk selectieprocessen verlopen en zo aan betekenisgeving wordt gedaan. Verschillende theoretische uitgangspunten worden daarbij toolboxgewijs ingezet. Ik vertrek vooral van Bourdieu, maar pas daarop een belangrijke pragmatische correctie toe.
Het onderzoeksobject wordt beperkt tot het Vlaamse muziekcircuit en daarin meer bepaald de alternatieve mainstream. In deze studie wordt de alternatieve mainstream geãntroduceerd als theoretisch concept om een segment in het popmuziekcircuit aan te duiden. Het wil een aanvulling zijn op de tweedeling mainstream (commercieel) en underground (alternatief), zoals die doorgaans gehanteerd wordt in de popular music studies, maar ook door Bourdieu (diens onderscheid tussen grootschalige en beperkte productie). Ik situeer de alternatieve mainstream er net tussenin: daar kruisen een culturele en een economische logica elkaar. Enerzijds richt die zich op een (nationale) massamarkt, maar anderzijds wordt aan bepaalde vormen van popmuziek waarden toegekend die ontleend zijn uit de romantische traditie (goede muziek moet authentiek, origineel en niet-commercieel zijn). Zo wil dit segment zich onderscheiden van de mainstream.
Bij de actoren die in Vlaanderen de alternatieve mainstream construeren en die zich richten tot de bredere kring van ?muziekliefhebbers?, deed ik onderzoek (de platenmaatschappijen, artiestenmanagers, boekers, festivals, concertzalen, radiostations en de geschreven pers). Aan de hand van 24 diepte-interviews ging ik na op basis van welke criteria muziek geselecteerd en dus opgepikt wordt, en vanuit welke legitimeringslogica?s de actoren hun handelen rechtvaardigen. Conform de Actor-Netwerktheorie vertrek ik niet van een vooropgesteld theoretisch kader maar wel vanuit de definiâring van de actoren zelf. Op basis van die onderzoeksdata kwam ik inductief tot drie centrale justificatiecategorieân en tot wat tweede-ordeselectie kan worden genoemd.

Dat een selectieproces in een welbepaald veld in de eerste plaats ook een sociaal proces is, ligt voor de cultuursociologie voor de hand. Uit het onderzoek blijkt dat de artistieke waarde van een artiest en zijn werk (het singuliere) niet volstaan om prestige te krijgen. Symbolische erkenning is conform Bourdieu ook in de alternatieve mainstream veeleer een collectief proces. Vooral de sociale context van de actor, zijn positie in een netwerk, heeft invloed op de selectiebeslissingen. Dan speelt vooral de positionele logica: men handelt vanuit de positie die de actor in het popveld inneemt en zijn verhouding tot andere spelers. Door het opgebouwde sociaal, symbolisch en economisch kapitaal ontstaat er een ongelijkheid tussen de velddeelnemers. Maar toch moet er worden samengewerkt. Dat gebeurt ? zoals Becker het ook stelt ? aan de hand van conventies. Zo horen samenwerkingsrelaties gebaseerd te zijn op vertrouwen. Volgens de (expliciete) symmetrienorm streeft men in het uitgebouwde netwerk naar wederzijdse afhankelijkheidsrelaties waarin elke partij zijn positionele onafhankelijkheid behoudt. Bovendien veronderstelt positioneel handelen ? zoals Mauss aangeeft ? het principe van geven en nemen: in de selectie worden de wensen van anderen vaak ingewilligd, zolang daar maar een wederdienst tegenover staat (de impliciete reciprociteitsnorm). Wanneer die normen geschonden worden (door machtsmisbruik bijvoorbeeld), kan illegitieme druk en wantrouwen ontstaan.
Ook in tweede-ordeselectie komt dat sociale proces naar boven. Door het overaanbod aan muziek (een rechtstreeks gevolg van het digitaliseringsproces) is er in het muziekveld een grote selectiedruk. Met het oog op complexiteitsreductie gaat men anderen observeren en hun selectie overnemen. Bij de media merken we dat wanneer het ene medium iets als eerste in de belangstelling brengt, de anderen volgen. De media worden op hun beurt geobserveerd door de muziekindustrie, die vanuit een wens tot risicoreductie naar de media kijkt omdat ze ervan uit gaat dat ook het potentiâle publiek dat doet. Wanneer zo alle aandacht samenvalt, kan een hype ontstaan en is er een doorbraak in de alternatieve mainstream.
Veel meer dan Bourdieu doet uitschijnen, zijn selecties in de alternatieve mainstream ook economisch ingegeven keuzes. In het popmuziekcircuit begeven actoren zich op een economische markt waar muziek verhandeld wordt. Daarom selecteren actoren vanuit een organisatorische logica: men handelt op de manier die wenselijk is voor de organisatie waarin men werkt. Daarbij zijn economische criteria richtingaangevend. Die zijn niet zozeer gericht op de accumulatie van winst dan wel op het doen overleven of het breakeven draaien van de organisatie. Managers, platenfirma?s en boekers ? de inputzijde van de muziekindustrie ? kijken zo naar de potentiâle exploitatiemogelijkheden van een artiest, en concertorganisatoren en de media ? de outputzijde ? richten zich op wat het publiek wil.
Een belangrijke aanvulling op de klassieke cultuursociologie is het belang van individueel ingegeven keuzes. Selecties zijn niet alleen toe te schrijven aan sociale of economische processen, uit het onderzoek blijkt hoe belangrijk individuele autonomie is. Aan de basis van elke beslissing ligt de persoonlijke smaak van de actor en in het proces blijft die steeds als een filter op de selectie inwerken. In de individuele legitimeringslogica weegt vooral de positie van muziekliefhebber door die de actoren in het muziekcircuit sowieso hebben. Hier leeft echter geen rationeel maar wel een emotioneel vocabulaire. Smaak is een ondefinieerbaar gevoel, een prikkel die je overweldigt. Dat is een romantische gedachte en de daarbij typerende dubbele retoriek zit diep bij de actoren in de alternatieve mainstream: smaak is niet alleen iets subjectiefs, maar is tegelijk een ?geraakt worden?.

Bij Bourdieu zijn selecties ingegeven door disposities en veldmechanismen. Mijn onderzoek wijst echter eerder in de richting van de pragmatische sociologie: vanuit welke logica de actoren selecteren, is situationeel bepaald. Afhankelijk van de context, de medespelers of het moment opteert men nu eens voor de ene en dan weer voor de andere logica. Daardoor kunnen die logica?s ook met elkaar botsen. Vanuit een organisatorische en positionele logica moeten actoren immers vaak hun individuele logica opzij zetten. Dan valt er in de interviews een grote ambiguïteit op: men bevestigt Çn ontkent tegelijkertijd.
Economische of sociale factoren domineren de poppraktijk en hakken meermaals selectieknopen door. Maar als men zijn handelen moet rechtvaardigen, beroept men zich steeds op de waarden van de individuele logica. Daarom blijven de persoonlijke smaak en de individuele autonomie de ultieme legitieme maatstaf.
Om in het selectieproces daarin een evenwicht te vinden, heeft een actor nood aan voldoende professioneel kapitaal. Dat heeft ? net zoals de alternatieve mainstream zelf ? enerzijds een economische component (het rendement in het oog houden) als een symbolische (de opgebouwde reputatie en geloofwaardigheid). Wie voldoende professioneel kapitaal heeft, zal het spel tussen onafhankelijkheid en afhankelijkheid beter beheersen, zonder aan eigenheid te moeten inboeten. Maar zelfs dan blijven selecties onzeker en risicovol.

This doctoral study adopts the perspective of the sociology of culture to examine the way in which the pop music scene functions. By means of qualitative research the dissertation analyzes how selection processes in the practice of pop develop and how these result in acts of meaning-making. Throughout the study different basic theoretical principles are employed, much like elements of a tool box. Although a point of departure is found in the work of Pierre Bourdieu, an important pragmatic adjustment is made to his views.
The object of research is limited to the Flemish music scene, and, more specifically, to the alternative mainstream in this scene. The study introduces alternative mainstream as a theoretical concept specifying a segment in the pop music scene. The goal of the concept is to widen the dual distinction of mainstream (commercial) and underground (alternative), as it is commonly used in popular music studies, and, for that matter, by Bourdieu as well (cf. his distinction between large-scale and restricted production). Alternative mainstream is situated right in between these two poles: at the intersection of a cultural and economic logic. On the one hand, it targets a (nation-wide) mass market. On the other hand, however, specific values deriving from the Romantic tradition are ascribed to certain forms of pop music ('good' music needs to be authentic, original and non-commercial). In this way, the segment aims to distinguish itself from the mainstream.
I conducted research among the actors that are involved in the construction of alternative mainstream in Flanders (the record companies, the managers, the booking agencies, the festivals, the concert venues, the radio stations and printed press). By means of 24 in-depth-interviews I examined the criteria that are fundamental in selecting and picking up music, as well as the logics of legitimization that underlie the ways in which the actors tend to justify their actions. Following Actor-Network-Theory, my starting point was not a predetermined theoretical framework, but the definition given by the actors themselves. On the basis of these research data I inductively identified three central categories of justification, as well as what could be called a second-order selection.

A basic assumption of the sociology of culture is the idea that a selection process in a specific field is primarily also a social process. This study shows that the artistic value of an artist and his or her work (the singular) are not enough to gain prestige. In accordance with Bourdieu's findings, symbolic recognition is more likely to be a collective process in the alternative mainstream as well. Especially the actor's social context, his or her position in a network, carries weight in the decisions of selection. Here, mainly the positional logic is of importance: actions are performed from the position occupied by the actor in the field of pop, and from his or her relation with other players. The accumulation of social, symbolic and economic capital leads to inequality among the players of the field. Yet cooperation is essential. As is also argued by Becker, this is done through conventions. Thus relations of cooperation are supposed to be based on trust. In keeping with the (explicit) norm of symmetry, actors pursue relations of mutual dependence in the networks they develop. Yet in these relations each party maintains his or her positional independence. In addition, as was pointed out by Mauss, positional action presupposes the principle of give and take: in the selection actors often accede to the wishes of others, as long as the favor or service is returned (the implicit norm of reciprocity). When these norms are violated - for example, by abuse of power -, illegitimate pressure and distrust may arise.
This social process equally pops up in second-order selection. As a result of the excess offer of music, a direct consequence of the process of digitalization, the field of music is marked by great selective pressure. With a view to reducing complexity, actors set out to watch the other(s) and copy their selection. This can be observed among the media: when one medium is the first to bring something to the center of attention, the others follow. The media for their part are watched by the music industry. Wishing to reduce risks, the music industry turns to the media because the potential audience is believed to do so as well. When, in this way, all attention converges and coincides, hype may be created and a breakthrough in the alternative mainstream may be realized.
Selections in the alternative mainstream are also choices induced by economics, much more than Bourdieu seems to suggest. In the pop music scene, actors make their way to an economic market where music is traded. This is the reason why actors adopt an organizational logic in their selection: he or she acts in such a way as is desirable for the organization in which he or she is employed. The guiding criteria here are economic in nature. They are not so much aimed at the accumulation of profit as they are directed at securing the organization's survival or break-even. It is in this way that managers, record companies, booking agencies - the input side of the music industry - look upon an artist's potential exploitation possibilities. By contrast, concert organizers and the media - the output side - are directed at what the public wants.
An important addition to classical sociology of culture is found in the impact of individually motivated choices. Selections are not solely attributable to social or economic processes. This study shows how much weight individual autonomy carries. The actor's taste underlies each decision and throughout the entire process this taste remains active as a filter on the selection. In this individual logic of legitimization it is mainly the position of music lover, which the actors hold in any case, that tilts the scales. What is active here, however, is not a rational vocabulary, but an emotional one. Taste is an indefinable feeling, a stimulus that overwhelms. This is a Romantic thought. The double rhetoric that characterizes it is deep-seated among the actors of the alternative mainstream: taste is not only a subjective thing, but also a 'being-touched'.

In Bourdieu's view, selections are induced by dispositions and field mechanisms. My research, however, veers into pragmatic sociology: which logic the actors will take as a basis for selection is determined in a situational manner. Depending on the context, the co-players or the moment, actors sometimes decide in favor of one logic, while opting for another on other times. This explains why the logics may collide with each other. Actors often need to set aside their individual logic in order to pursue an organizational or positional logic. It is in these moments that the interviews strikingly demonstrate a great ambiguity: the actors affirm and deny at the same time.
Economic or social factors dominate the practice of pop and more than once cut the knots of selection. Yet whenever actions need to be justified, actors invariably appeal to the values of the individual logic. Personal taste and individual autonomy, therefore, remain the ultimate legitimate criterion.
For any actor to find equilibrium in this, he or she needs to have sufficient professional capital. This balance - just like the alternative mainstream itself - has an economic component (keeping an eye on business) as well as a symbolic one (the acquired reputation and credibility). Whoever possesses enough professional capital, will be able to control the interplay of independence and dependence more effectively, without having to take a loss of individuality. Still, even then selections remain precarious and risky.
Datum Prijs31 mei 2012
TaalDutch
BegeleiderKatia Segers (Jury) & Rudi Laermans (Promotor)

Keywords

  • cultuursociologisch onderzoek
  • selectielogica
  • Vlaams popcircuit

Citeer dit

'