Gene flow en bestuiversbewegingen in gefragmenteerde Primula elatior populaties

Scriptie/masterproef: Master's Thesis

Uittreksel

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn de populaties van de zelf-incompatibele en langlevende soort Primula elatior wijd verspreid in gefragmenteerde oude bossen. De genetische variatie en structuur binnen en tussen drie populaties, van zowel kiemplanten als adulten, werd nagegaan met twee hoog polymorfe microsatelliet loci. Er wordt een hoge genetische variatie waargenomen voor zowel kiemplanten als adulten, zoals verwacht wordt voor een obligate kruisbestuiver. De genetische differentiatie tussen populaties van beide leeftijdniveaus is laag of niet significant wat verondersteld dat er nog matige tot hoge niveaus van recente of historische gene flow zijn tussen populaties. Er werd geen inteelt gevonden binnen de populaties.
Plantenpopulaties kunnen genen uitwisselen via de verspreiding van zaden en pollen. Gene flow is een belangrijke factor die een invloed heeft op het tegengaan van genetische erosie. Voor vele plantensoorten die bestoven worden door insecten gebeurt gene flow vooral door pollen en zowel het type bestuiver en het foerageergedrag bepalen de efficiëntie van pollentransport en de afstanden waarover pollen verspreid worden. Het is dus belangrijk om de gene flow door pollen te karakteriseren. In deze studie werd nagegaan of er een invloed was van grootte van het individu (als recipiënt en bron) en populatiegrootte op bestuivers. Patronen van pollenverspreiding en bestuiversbewegingen werden nagegaan met fluorescente korrels (die beschouwd kunnen worden als een goed pollenanaloog) binnen vier populaties. In het algemeen legt de meerderheid van de pollenkorrels maar een kleine afstand af en bereikt slechts een enkele pollenkorrel een ver weg staande plant. Deze steil dalende verdeling is een leptokurtische verdeling. De maximale verspreidingsafstand bedroeg 314.27m. Het aantal bloemen per plant van de recipiëntindividuen was slechts significant voor twee populaties.
Wanneer grote bronindividuen vergeleken werden met kleine bronindividuen binnen populaties was dit enkel significant voor één populatie, namelijk een verschil in afstand tot de gemarkeerde bron. Wanneer binnen populatie patronen van kleine en grote bronindividuen vergeleken werden tussen populaties werd er vooral een invloed van populatiegrootte vastgesteld.
Voor twee kleine populaties werden twee methoden toegepast om de gene flow binnen populaties te schatten: vaderschapsanalyse (directe methode) en fluorescente korrels (indirecte methode). Hierbij gaven de fluorescente korrels een goede schatting van de effectieve pollen flow.
Met slechts twee hoog polymorfe microsatelliet loci was het reeds mogelijk om via vaderschapsanalyse een vader toe te kennen voor ongeveer de helft van de kiemplanten met 95% betrouwbaarheid in beide populaties.
Datum Prijs2005
TaalDutch
BegeleiderLudwig Triest (Promotor) & Fabienne Van Rossum (Co-promotor)

Keywords

  • bestuivers
  • vaderschapsanalyse
  • fluorescente korrels
  • gene flow

Citeer dit

'